Melkveehouderij

In de toekomstverkenning over de landbouw van het ministerie van Landbouw weerklinkt een bepaalde afschuw als geschreven wordt over de toekomstige leefomstandigheden van de melkkoe (NRC Handelsblad, 19 maart).

De koe zou uit het landschap verdwijnen en stallen voor melkvee zouden gaan lijken op de huidige stallen voor varkens en kippen. De afschuw voor een dergelijke ontwikkeling leeft ook onder vele melkveehouders.

Dit is niet waar wij als melkveehouderijsector naar toe willen of wat nu de meeste arbeidsvreugde oplevert. In onze eigen toekomstvisies worden heel andere streefbeelden geschetst.

Bij de bouw van stallen voor melkvee willen we ons bijvoorbeeld niet richten op de bio-industrie, juist de openheid van de huidige staltypes moet behouden blijven.

Al lezende lijkt het alsof de boer verantwoordelijk is voor deze ontwikkeling, dat een verlaging van de kostprijs het enige is wat hem of haar bezig houdt. Niets is minder waar.

Mocht een en ander zich werkelijk die kant op ontwikkelen dan is het ministerie van LNV welzeker medeverantwoordelijke. In feite is bestaande regelgeving veelal de oorzaak dat koeien uit de wei verdwijnen.

Een koe in de wei resulteert in mineralenverliezen. Door de scherpe verliesnormen die de overheid heeft opgelegd en de forse boetes die bij overschrijding van de norm moeten worden betaald, zijn veel boeren genoodzaakt de dieren het hele jaar op stal te houden.

Gezamenlijk zullen het ministerie van LNV en de collectieve melkveehouderijsector moeten strijden voor hun idealen. Door voldoende stimulerende overheidsmaatregelen moet de melkveehouderij gezond kunnen blijven.

Daarnaast moeten we ons op de markt concentreren. Als consumenten meer op kwaliteiten als diervriendelijke productie en voedselveiligheid gaan letten en daarvoor een reële vergoeding willen betalen is er veel mogelijk.