Leeuwenkinderen in omgekeerde dierentuin

Droom je er weleens van, naar Afrika te reizen – en er maar meteen te blijven wonen, tussen de wilde dieren? Het lastige is dat je je ouders moet overtuigen. Drie Engelse kinderen deden het. Maar ze hadden alleen een gescheiden moeder om te overtuigen, dat scheelt alweer. Met haar trokken ze naar Botswana. En uiteindelijk kwamen ze op een perfecte plek terecht, als je tenminste van wilde dieren houdt. Tussen de leeuwen en olifanten van de Okavango-delta. Ze wonen daar nu in een onderzoekskamp. En of dat nog niet mooi genoeg is, helpen ze mee de leeuwen te onderzoeken en te beschermen.

De drie hebben een boek geschreven over wat ze meemaakten in hun nieuwe leven: De Leeuwenkinderen. Om beurten vertellen Angus, Travers en Maisie daarin zelf over waar ze van onder de indruk waren en waar ze aan moesten wennen. Het leven in Botswana is behoorlijk anders dan in Engeland. Zo schrijft Angus, die nu 14 is: ,,Onze grootste uitdaging in de tuin was de zwarte mamba die er woonde. We waren nu wel gewend aan slangen in ons leven, maar waren nog altijd op onze hoede voor de zeer giftige mamba. En terecht. We gingen het probleem te lijf door benzine te gieten rond zijn schuilplaats tussen de bloempotten. Slangen hebben een hekel aan de lucht van benzine, die ook hun huid irriteert als ze eroverheen glijden. Mam, die niet van halve maatregelen houdt, goot natuurlijk benzine rond het hele huis, `voor alle zekerheid'. We hebben de mamba nooit meer teruggezien, en ook een tijdje geen lucifers meer aangestreken.''

Travers vertelt vooral over de leeuwen, die ze steeds beter leren kennen. En waarom het hard nodig is ze te beschermen – ze hebben het niet makkelijk, met steeds meer mensen om zich heen die weinig van ze moeten hebben. Maar de kinderen maken zich niet alleen maar zorgen over de natuur en hoe het daarmee verder moet. Want ze hebben spannende ontmoetingen met olifanten, buffels en allerlei andere dieren. En over het mooie landschap raken ze haast niet uitgepraat.

Omdat hun leeftijden nogal verschillen, zijn het ook heel verschillende verhalen. De drie schrijven vaak goed. Een beetje te goed voor hun leeftijd, maar ze hebben het toch helemaal alleen gedaan. (Dieren tekenen doen ze gelukkig lekker beroerd.) Soms nemen die kinderen zich wel erg serieus. En ze schrijven ook wel wat veel over elkaar. Maar ze doen tenminste niet te opschepperig, zo van `kijk ons eens'. Ook al rijdt Angus op zijn elfde al alleen in een terreinwagen. En speelt Maisie op haar negende voor dierendokter, met gazelle-weesjes.

Het leuke van het boek is vooral dat je je kunt inleven in hoe het zou kùnnen zijn. Als je zelf zo'n verandering zou meemaken. Een droom? Angus, Travers en Maisie zijn geloof ik wel tevreden, maar zo mooi is het allemaal niet. In de Afrikaanse natuur leef je eigenlijk in een omgekeerde dierentuin. Je moet jezelf opsluiten in een kooi. Daar ligt dan je kamp in, zodat je niet bang hoeft te zijn dat je omvergelopen wordt, of aangevallen. Of dat een hyena even je keuken komt leeghalen. Alleen buiten rondlopen kun je niet, ook al hou je nog zo van leeuwen. Daarvoor kunnen te gevaarlijke dingen gebeuren.

Dus daar is weinig romantisch aan. En, als je je ouders toch nog wilt overtuigen – die moet je dan ook maar niet vertellen van de schorpioenen. Van de wormpjes die onder je huid komen krioelen. Van drinkwater dat groen is, of een wc waar alle kriebelbeesten uit de buurt graag naartoe gaan. Misschien moet je zèlf dit boek eerst maar even lezen.

Angus, Maisie & Travers McNeice, `De Leeuwenkinderen', 240 blz., met foto's. Uitg. De kern, Baarn.