Ik spreek dus ik denk, en vice versa

Wat is de mens? Op die vraag had Aristoteles een klassiek geworden antwoord klaar, dat vooral in het Latijn bekend is geworden: de mens, meende hij, is een animal rationale, een met rede begiftigd dier. Lang na hem, in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, werd vooral in Duitsland de vraag wat de mens is, beschouwd als belangrijkste vraag van de filosofie. In de Angelsaksische landen gingen filosofen anders te werk. Zij probeerden vanuit een analyse van taal de grote vragen van de wijsbegeerte te beantwoorden.

Die traditie vindt een hoogtepunt in het oeuvre van de Amerikaan Donald Davidson (1917), die geldt als een van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw maar bij het publiek nauwelijks bekendheid geniet, mede door het technische karakter van zijn werk. Davidson promoveerde op de Philebus, de dialoog over plezier van Plato, en raakte als student aan Harvard in de ban van de filosofie van W.V. Quine. Tot diens dood in 2000 is Davidson in gesprek gebleven met Quine, ondanks hun sterk verschillende persoonlijkheden. Quine was een Einzelgänger die zich concentreerde op de wijsbegeerte, terwijl het moeilijk is een onderwerp te noemen waar Davidson zich niet voor interesseert. Hij was een fervent zweefvlieger, wist alles van de architectuur van Chicago, en kreeg op zijn tachtigste van zijn vrouw een sportauto cadeau waarmee hij over de heuvels rond San Francisco scheurde.

Zijn filosofische werk omvat inmiddels meer dan honderd zeer invloedrijke en compact geformuleerde artikelen die nu in vijf opeenvolgende bundels worden uitgegeven. Davidsons oeuvre kan als geheel genomen worden beschouwd als een klassieke filosofische antropologie, zoals die werd nagestreefd in de continentale Duitse wijsbegeerte, maar dan geformuleerd in termen van de moderne analytische filosofie.

Davidsons uitgangspunt is in zekere zin de wezensdefinitie van de mens die Aristoteles gaf. Hij leest Aristoteles' definitie als volgt: `In zijn taalgebruik toont de mens dat hij een met rede begaafd wezen is.' Een interpretatie die onmiddellijk de vraag doet opkomen of dus alleen wezens die een taal spreken ook kunnen denken. Davidsons antwoord is onomwonden ja. Zijn argumentatie daarvoor gaat als volgt. Denken vereist het besef dat je jezelf niet mag tegenspreken. Je moet weten dat je niet tegelijkertijd zowel `A' als `niet-A' mag beweren. Deze wet van de non-contradictie kun je natuurlijk alleen maar gehoorzamen als je wéét wat waarheid is. En het waarheidsbegrip kun je alleen maar bezitten wanneer je een taal hebt leren spreken.

Spil

Volgens Davidson zijn taal en denken dus van elkaar afhankelijk. Een bewering is de uitdrukking van een gedachte; een gedachte is datgene wat uitgedrukt wordt in een bewering. Deze afhankelijkheid is de spil waar zijn filosofie om draait. Volgens Davidson begrijpen wij elkaar, doordat wij de klanken die iemand uitstoot op een bepaalde, rationele manier interpreteren. Maar wat houdt dat begrijpen in? `Een zin begrijpen betekent weten wat het geval is, wanneer hij waar is', schreef Wittgenstein. Davidson volgt hem hierin. Je weet wat iemand bedoelt met `sneeuw is wit', wanneer je weet dat die zin alleen wáár is wanneer sneeuw ook echt wit is. Tegelijkertijd ga je er vanuit dat die spreker ook dènkt dat sneeuw echt wit is. Iemand begrijpen houdt dus twee dingen in: gedachten aan de spreker toekennen en betekenis aan zijn uitspraken. Dat lijkt geen revolutionair inzicht, maar Davidson gebruikt het zeer vernuftig en scherpzinnig om allerlei klassieke onderscheidingen in de wijsbegeerte te ondermijnen, zoals dat tussen subject en object of tussen subjectieve `binnenwereld' en objectieve `buitenwereld'.

Volgens Davidson ontstaat betekenis namelijk niet uit een tweedeling tussen spreker en wereld, maar juist als er een driehoek bestaat met op de punten een spreker, een toehoorder, en de werkelijkheid. Het is de werkelijkheid die een spreker ertoe brengt iets te beweren; de toehoorder interpreteert de woorden van de spreker – wat die zegt is waar, als aan bepaalde voorwaarden voldaan is – en de werkelijkheid zelf bepaalt uiteindelijk weer óf inderdaad aan die voorwaarden is voldaan.

Waar of onwaar

Die driehoek verklaart de titel van de onlangs verschenen, derde bundel van Davidson: Subjective, Intersubjective, Objective. `Subjectief', want iedere spreker weet van zijn eigen uitspraken het beste onder welke omstandigheden die precies waar zijn. `Intersubjectief', want alleen als we met elkaar praten,krijgen we een waarheidsbegrip en leren we interpreteren. `Objectief', want uiteindelijk maakt de werkelijkheid uit of onze uitspraken waar zijn.

Davidson gaat systematisch na wat de voorwaarden zijn voor de mogelijkheid elkaars taalgedrag te interpreteren en te begrijpen. Daarin ligt overigens een belangrijk verschil met zijn leermeester Quine. Volgens Davidson ligt betekenis vast in doelbewuste handelingspatronen van mensen, daarbuiten kan betekenis niet bestaan. Quine daarentegen wil betekenis funderen op natuurwetenschappelijke feiten. Aangezien dat niet lukt, concludeert Quine dat er over betekenis niets met zekerheid te zeggen valt.

Beiden delen wel het uitgangspunt dat ons beeld van de werkelijkheid bepaald wordt door de taal die we spreken. Dat zou je een vorm van idealisme kunnen noemen. Hoewel de werkelijkheid namelijk wel onafhankelijk van ons `bepaalt' welke uitspraken waar zijn, kunnen wij zelf niet buiten onze taal treden (en dus buiten ons denkkader) om van buitenaf te inspecteren welke overtuigingen waar zijn. Zoals Davidson het formuleert: `de enige rechtvaardiging voor een overtuiging is een andere overtuiging.' De eenvoud van die uitspraak verhult haar verstrekkende gevolgen. Ze sluit bijvoorbeeld een naïef reductionisme van gedachten tot hersenprocessen uit. We moeten accepteren dat er een manier van praten over het menselijk denken bestaat die niet is te vangen in een wetenschappelijke theorie.

Donald Davidson: Subjective, Intersubjective, Objective. Clarendon Press, 237 blz. €29,90