Ieder kind valt voor Gaudí

Barcelona herdenkt met het Gaudí-jaar de 150-ste geboortedag van de Catalaanse architect. Zijn biograaf: ,,Hij kan niet het monster zijn geweest dat sommigen van hem maakten.'

Ver in de diepte, raast het verkeer van Barcelona, zichtbaar door de schuine gaten. Hierboven giert de wind door de smalle wenteltrappen, langs de steile bogen en de met gebroken glasscherven ingelegde spitsen. Ooit waren de torens bedoeld als de pijpen van een reusachtig orgel dat door de wind aangeblazen diende te worden. Nu omklemmen Japanse jongens er angstig hun camera's. ,,Wow, look those strawberries', roept een Amerikaans meisje terwijl we met de lift langs de ornamenten in de vorm van rode vruchten naar beneden suizen. ,,This is better than Disneyland.'

De Sagrada Família van de architect Antoni Gaudí (1852-1926) is vooral fun. De kerk, beeldmerk van Barcelona, geldt als de grootste trekpleister in de Catalaanse hoofdstad. Jaarlijks bezoeken 1,5 miljoen toeristen de kathedraal die Gaudíhoere wereldwijde faam bezorgde. De bouwmeester was er de laatste dertig jaar van zijn leven mee bezig en nog steeds wordt er druk gewerkt. In 2030 moet het bouwwerk zijn afgebouwd, als de entreegelden en de gulle giften aan de katholieke stichting die het bouwwerk beheert tenminste in hetzelfde tempo blijven binnenstromen.

Beneden in de sombere crypte, waar de roetvlekken van het brandschatten door de anarchisten in 1936 nog steeds de plafonds ontsieren, ligt het graf van de bouwmeester. Wie was Gaudí? Pastoor Lluis Bonet, een benige verschijning met wit haar die de parochie onder zijn hoede heeft, geeft een prentje met een tekst waar voor het zielenheil van de bouwmeester wordt gebeden. Aan de voorkant een portret van een man met een baard. `Antoni Gaudí i Cornet', luidt het onderschrift. `Gods Architect'.

Afgezien van wat anekdotes - zoals zijn befaamde dood door onder een tram te wandelen - en nationalistische hagiografieën is er weinig bekend over het leven van Antoni Gaudí. Het Gaudí-jaar waarin het honderdvijftigste geboortejaar van de architect wordt herdacht, is aangegrepen voor een ware inhaalslag in de vorm van tentoonstellingen, bijeenkomsten en seminars over de bouwmeester, het merendeel in Barcelona. De Britse kunsthistoricus Gijs van Hensbergen (43), zoon van een Nederlandse Unilever-man, kreeg de opdracht een biografie te schrijven, die deze maand ook in een Nederlandse vertaling uitkwam.

De auteur woont in een dorp nabij Segovia, ver weg van het Catalonië van Gaudí, waar hij zich als kok verdiepte in het langzaam roosteren van speenvarken, ter voorbereiding van een boek over de Castiliaanse keuken. De biografie, zegt Van Hensbergen in het restaurant waar we hebben afgesproken, was de vervulling van een oude droom. Tijdens een vakantie kwam hij als 8-jarig jongetje in een Ford Taunus met caravan met een stomende radiator tot stilstand op de Barcelonese Paseo de Gràcia, recht tegenover het Casa Batlló van Gaudí, het huis met zijn golvende balkons, de façade met het mozaïek van gekleurd glas en keramiek en het dak als de geschubde rug van een voorwereldlijk monster. ,,Ieder kind valt direct voor Gaudí', meent Van Hensbergen. Hij in elk geval wel.

Weerbarstig

Het leven van Antoni Gaudí is weerbarstige materie voor de biograaf. Om te beginnen was de bouwmeester niet direct een prettig of inspirerend mens te noemen. Uit de beschrijvingen stijgt vooral het beeld op van een obsessieve, gelijkhebberige man wiens leven volledig werd beheerst door architectuur en de kerk. In zijn laatste jaren een excentrieke kluizenaar, die zijn tijd verdeelde tussen het werken aan en geld bijeen bedelen voor zijn Sagrada Família. Wie Gaudí op straat tegenkwam deed er beter aan naar de overkant te vluchten, want de architect nam geen genoegen met een fooi. Een offer brengen betekende immers dat je het ook werkelijk voelde in je portemonnee, zo redeneerde de architect. Anders was het maar ijdelheid.

Ondanks zijn prominente humorloosheid kon Gaudí grappig uit de hoek komen. Toen de dochter van zijn beschermheer Güell zich beklaagde dat een pas aangeschafte piano niet paste in de ontvangstruimte van het juist ontworpen Paleis van Güell, kreeg zij van de architect het advies om voortaan maar viool te gaan spelen.

Praten met Gaudí, zo meldde een tijdgenoot, was alsof je door een regen van stenen werd getroffen. ,,Aan de andere kant kan hij ook niet het monster zijn geweest dat sommigen van hem maakten. Anders zou het uitstekende team van medewerkers nooit zo lang bij hem zijn gebleven', meent Van Hensbergen.

Gaudí, van wie nauwelijks brieven of geschriften bewaard zijn gebleven, is onlosmakelijk verbonden met een schilderachtige, maar grotendeels vergeten periode van het Barcelona van rond de vorige eeuwwisseling. Een broeierig tijdsgewricht in een havenstad die in rap tempo uitdijde, bevolkt door explosief mengsel van een opstandig proletariaat, moordlustige anarchisten, hoeren en een patriarchale elite verdeeld tussen liberalen en reactionairkatholieke nationalisten.

Dat Gaudí een van de prominentste vertegenwoordigers was van die laatste groep blijft verbazen. ,,Als je niets van hem weet en zijn werk ziet, is de eerste associatie met Gaudí dat hij waarschijnlijk zoiets als een progressieve surrealist geweest was', denkt Van Hensbergen. Zijn uitbundige, sensuele en organische architectuur, maakte Gaudí in de jaren zestig en zeventig de icoon van de flowerpower en protestbewegingen. ,,Een geslaagde ochtend in Barcelona in 1966 bestond uit het roken van een joint op de kronkelige mozaïekbanken van het Güell park...', schrijft kunstcriticus Robert Hughes in zijn boek Barcelona. Vervolgens werd het trippen voor de gevel van de Sagrada Família. Wie dan nog niet stoned genoeg was kon nog altijd een van de torens beklimmen.

Het zou Antoni Gaudí zelf beslist een gruwel zijn geweest. De architect bleek zich na zijn studie namelijk te ontwikkelen tot een steeds fanatieker aanhanger van de nationalistische, ultrakatholieke Catalaanse beweging die zich in die jaren vormde. En daarin was beslist geen plaats voor seks en drugs en feestgedruis. Hij was lid van een kunstenaarsclub die de oorlog had verklaard aan het liberalisme en het daarmee gepaard gaande drankgebruik en antiklerikaal gedrag. Zelfs het gebruik van naaktmodellen werd verworpen. Gaudí, die een verregaande botheid combineerde met verlegen gedrag tegenover vrouwen, was, voor zover bekend, bij zijn dood nog altijd maagd. Zelfs van zijn eventuele homoseksualiteit, heeft Van Hensbergen geen spoor kunnen vinden. ,,Je zou kunnen zeggen dat hij het klassieke geval is van iemand die zijn frustraties volledig wist te sublimeren in een ongekende werkdrift en creativiteit', aldus Van Hensbergen.

Mikpunt

Op zichzelf mag het een wonder heten dat er vandaag nog zoveel bouwwerken van Gaudí te zien zijn in Barcelona, want zijn binding met het meest conservatieve deel van het establishment maakte zijn werk bij uitstek aantrekkelijk als mikpunt voor volksopstanden. Zijn verfijnde beschermheer Eusebi Güell en diens zwager, de enigszins sinistere markies van Comillas, hadden belangen in vrijwel alle industriële en financiële activiteiten in de stad. Zij stimuleerden met riante schenkingen de orthodox-katholieke reactie. Tijdens de `Tragische Week' in 1909, toen opstand uitbrak onder de dienstplichtigen die werden ingescheept voor de koloniale expedities van Spanje in Marokko, werd de woede niet alleen gekoeld op kerken en kloosters, maar ook op alles wat met deze Barcelonese grootondernemers te maken had.

Een groep fanatieke geloofsijveraars stond ook aan de wieg van de bouw van de Sagrada Família. In de encyclieken van Paus Pius IX die een nieuwe contrareformatie predikten, werd opgeroepen tot een cultus met de heilige familie als middelpunt. Een gezelschap dat zich noemde naar de heilige Jozef nam het initiatief tot de bouw van de kerk in Barcelona waar Gaudí kort na de aanvang van de werkzaamheden voor werd gevraagd. De samenwerking verliep uitstekend.

Ondanks zijn gedachtegoed wist Gaudí door middel van nieuwe technieken en experimenten een geheel nieuw soort gebouwen te scheppen. Hij was een geniaal architect met een missie, een curieus mengsel tussen een monnik, een ambachtsman en een negentiende-eeuwse uitvinder. Zijn vormgeving en materiaalkeuze was revolutionair te noemen en kwam vooral experimenterend tot stand. Aan theoretiseren deed Gaudí niet. ,,Ik ontbeer het vermogen om me goed uitdrukken. Mijn ideeën over kunst kan ik niet toe lichten', verklaarde hij ooit. Zijn ingewikkelde geometrische patronen zijn nu pas door middel van computersimulaties goed te doorgronden, zo is te zien in de tentoonstelling `La búsqueda de la forma' (Op zoek naar de vorm) in het historisch museum van Barcelona.

Gaudí ging zijn eigen gang, ongehinderd door de vraag of misschien de grens tussen kunst en kitsch werd overschreden. Praten over `de goede smaak' van Gaudí was alsof je een discussie begon over `de goede smaak van walvissen', meende een tijdgenoot van de architect.

Wie wandelt door het park Güell, dat Gaudí ontwierp voor zijn beschermheer, wordt getroffen door de even simpele als originele mozaïeken van gebroken keramiek waarmee de enorme bank op het uitzichtterras is ingelegd. Het volgende moment staat hij oog in oog met een monsterlijke druipsteengrot die in de Efteling niet zou misstaan. De massieve somberte van de Sagrada Família staat in fel contrast met de speelse lichtheid van het Casa Milá.

,,Het onderscheid tussen hogere en lagere kunst is typisch voor protestantse culturen', denkt Van Hensbergen nu. Gaudí was niet bang om populaire elementen te gebruiken. ,,In die zin is Gaudí een typisch katholieke architect. Het enige wat telde was of het werkte om hem dichter bij zijn geloof te brengen.'

Het werk van Gaudí raakte na zijn dood snel in de vergetelheid. Architecten als Le Corbusier en Walter Gropius uitten nog wel openlijk hun bewondering voor de de complexe geometrie en de materiaalbeheersing van de bouwmeester. ,,Maar het werk van De Stijl en Bauhaus werkte zo radicaal en bevrijdend dat Gaudí onmiddellijk als gedateerd werd beschouwd', meent Van Hensbergen.

Het waren de surrealisten, Salvador Dalí voorop, die opnieuw het werk van Gaudí omarmden. Wie het dakterras van het Casa Milá ziet met zijn panorama van golvende trappen en veelvormige, gedraaide schoorstenen, begrijpt direct waarom. ,,Wie van Dalí houdt, houdt van Gaudí', zo vat Van Hensbergen de overeenkomst in stijl samen.

In de laatste decennia lijkt de organische wijze waarop Gaudí zijn gebouwen ontwierp weer enige waardering te kunnen vinden bij postmoderne architecten als de Catalaan Santiago Calatrava en de Amerikaan Frank Gehry. ,,Ik denk dat Gaudí zeer gecharmeerd zou zijn geweest van Gehry's Guggenheim Museum in Bilbao. Het gaat bij Gaudí uiteindelijk om de verleiding van het publiek. En daarbij was elk middel geoorloofd.'

Informatie tentoonstellingen en evenementen www.gaudi2002.bcn.es.

Gijs van Hensbergen, Gaudí, De Biografie, Menken, Kasander & Wigman.