Het raadsel Ravel

Met de reputatie van Maurice Ravel (1875-1937) is het vreemd gesteld. Sinds zijn debuut, kort na 1900, hoort hij tot de onaantastbaren, maar de literatuur over hem is relatief gering. Die omvang is niet alleen te wijten aan zijn geringe productie. Ravel slaagde er telkens in zich niet te laten vangen, hoezeer onderzoekers ook met nieuwe informatie kwamen, ook in dit boek. Zeker is dat Ravel precies wist wat hij wilde en dat realiseerde dankzij een vernietigende zelfkritiek. Al zijn postuum verschenen stukken bewijzen dat hij ze terecht heeft achtergehouden. Eenmaal zichzelf trok hij zich weinig aan van modes. Weliswaar veranderde zijn stijl rond 1920 (minder fin-de-siècle klanktovenarij en meer neoclassicistische zakelijkheid), maar Ravel bleef Ravel.

De vraag `wie is Ravel?' beantwoordt dit boek op originele wijze. Het is geschreven voor en door specialisten, maar verdient bekendheid bij een groot publiek. Het onderscheid tussen de Ravel van voor en na 1920 is gradueel. Reeds ervoor had hij de houding van een neoclassicist: bondig en motorisch in ritme en vorm, klassiek in de frasering en doorzichtig en geraffineerd in de instrumentatie. Voor de Eerste Wereldoorlog was zijn neiging tot exotisme expliciet, getuige composities geïnspireerd op Spanje, Azië en de Middeleeuwen. Na die oorlog is de integratie van elementen uit de jazz en van Puccini en Schönberg meer impliciet. Van de gangbare opvatting dat Ravel voor 1920 vernieuwender zou zijn, laat het boek weinig heel.

Voor de medewerkers aan deze bundel staat Ravels ambacht voorop. Op de veelgehoorde uitspraak dat diens beheersing ervan een masker zou zijn voor zijn emoties, geven zij een volmaakt francofiel antwoord. Veel auteurs wier hart primair ligt bij de Franse muziek (en dat zijn in deze bundel vooral Engelsen), bevestigen het adagium van Hendrik Andriessen. `De Duitsers graven heel diep, maar wat vinden ze eigenlijk? De Fransen graven helemaal niet, want ze weten: de waarheid ligt net onder de oppervlakte.' Zo bezien is het geen toeval dat de meeste auteurs in de bundel op luchtige toon praten over zware zaken en expressie aanwezig weten zonder die expliciet te benoemen. Orledge, auteur van schitterende boeken over Fauré en Debussy, beschrijft Ravels exotiek en trekt een doorgaande lijn van diens vooroorlogse reizen in de verbeelding tot de na-oorlogse in de werkelijkheid. Langham Smith, die publiceerde over Debussy's enige opera, beschrijft Ravels opera's als uitingen van een geest die getroffen was door verwording. Nichols schreef over de neoclassicisten Satie en Milhaud en beschrijft hoe de ideologische verwantschap tussen hen en Ravel tot uiting komt in een uitvoeringswijze die Ravel als dirigent uitdroeg met andere musici.

De mens Ravel blijft bij al deze informatie een raadsel. Als Ravel meer heeft nagelaten dan een ongenaakbaar oeuvre, dan is het wel een superieure bevestiging van de modernistische opvatting dat leven en werk van elkaar los kunnen staan. Aan die conclusie wil en kan dit boek gelukkig niets afdoen.

Deborah Mawer (red.): The Cambridge Companion to Ravel. Cambridge University Press, 294 blz. €33,57