Het kapmes biedt uitkomst

Een periode van zes jaar ligt er tussen De weg naar het noorden, het debuut van Naima El Bezaz (Marokko, 1974) en haar tweede boek Minnares van de duivel, een verhalenbundel die door de uitgever ten onrechte als roman wordt betiteld. De weg naar het noorden was een met veel inlevingsvermogen geschreven novelle over een jonge Marokkaanse die zonder succes een illegaal bestaan in Nederland probeert op te bouwen. Dat de stijl van dit debuut houterig was en haar woordkeus op het pathetische af, werd de toen 21-jarige op grond van haar leeftijd vergeven. Het boek werd bekroond met de IBBY-prijs, bestemd voor jeugdboeken die bijdragen aan de totstandkoming van een beter begrip voor mensen uit minderheidsgroepen.

Ongetwijfeld is het niet de bedoeling van Naima El Bezaz, inmiddels afgestudeerd juriste en werkzaam als consultant, om kinderboeken te schrijven, maar ook Minnares van de duivel ontstijgt dit niveau nauwelijks. Anders dan haar debuut, een realistische vertelling die zich grotendeels in Europa afspeelt, bevat Minnares van de duivel sprookjesachtige Marokkaanse volksverhalen over zwarte kunst. In vrijwel alle verhalen, stuk voor stuk ingeleid met een strofe uit de koran, treedt de seherra (een beoefenaarster van de zwarte kunst) Lalla Rebha op. Uit het een na laatste verhaal blijkt dat zij de dochter is van de djinn Farzi. Deze geest is onzichtbaar, maar Lalla Rebha voelt aan luchtverplaatsingen in haar omgeving wanneer hij bij haar is. Hij helpt haar bij haar smerige werkjes: wanhopige vrouwen tegen betaling van hun overspelige mannen verlossen, of in opdracht van de duivel gelovige moslims van het rechte pad afbrengen. In de volksmond wordt ze de minnares van de duivel genoemd, omdat ze als een kluizenaar in een houten huisje aan de rand van de begraafplaats woont met alleen de djinn als kamergenoot.

Naima El Bezaz was onlangs in het nieuws omdat een lezing voor Marokkaanse vrouwen op het laatste moment werd afgeblazen uit angst dat de schrijfster het over seks zou gaan hebben. Waarschijnlijk vreesde men dat ze zou voorlezen uit haar nieuwe boek, waarin onderwerpen aan de orde komen die voor moslims schokkend of beledigend kunnen zijn. Een passage die aanleiding zou kunnen geven tot commotie in behoudende Marokkaanse kringen stamt uit het verhaal `Allahs beschermeling' waarin een vrouw, Saloua, zichzelf, liggend naast haar slapende man Abdullah, bevredigt. `Voorzichtig drukte ze haar verhitte lichaam tegen hem aan en bewoog haar lichaam tegen het zijne, waardoor het vuur in haar heviger werd. Langzaam spreidde ze haar benen en bracht haar vingers naar beneden, daar waar het vuur woedde.' En dan is er natuurlijk nog de bevruchting van Lalla Rebha's zestienjarige moeder Louisa door de djinn Farzi. In een droom wordt ze door hem genomen. `Behoedzaam trok hij haar kleed uit. Met zijn tong gleed hij over haar tepels, hij beet er voorzichtig in en kuste de huid eromheen. Louisa hijgde en spreidde haar benen. Voorzichtig kwam hij in haar. Hij was groot en hij vulde haar, maar het deed tot haar verbazing geen pijn.' Logisch, want als ze korte tijd later – haar buik is begonnen op te zwellen – door haar moeder inwendig wordt onderzocht, blijkt haar maagdenvlies onbeschadigd.

In de meeste verhalen toont Naima El Bezaz zich kritisch over Marokkaanse mannen – luilakken die hun vrouwen bedriegen en hun ziel aan de duivel verkopen – en over islamitische tradities als de maagdelijkheidscultus. In `De andere vrouw', het verhaal waarmee de bundel opent, wordt de dertienjarige Nourlaila uitgehuwelijkt aan Sabir, de beste vriend van haar vader. Hij verkracht haar een jaar voordat ze trouwen zodat er na de huwelijksnacht geen bebloed laken aan de nerveuze ouders en andere familieleden kan worden getoond. Sabir weet raad: met een kapmes maakt hij een jaap in haar dijbeen en op het moment dat de imam voor de deur van de slaapkamer een koranvers opzegt, kan de echtgenoot trots het maagdenbloed laten zien. Zulke anekdotes komen zo vaak terug in Marokkaanse verhalen dat ze wel op reële ervaringen zullen berusten. Het is niet onverdienstelijk dat El Bezaz ze opschrijft, alleen de manier waarop is weinig overtuigend: geen van haar verhalen ontroert, shockeert of enerveert. Het zou me niet verbazen als De voeten van Abdullah, de verhalenbundel waarmee de eveneens in Marokko geboren Hafid Bouazza op 26-jarige leeftijd debuteerde, El Bezaz tot voorbeeld heeft gediend. Maar in tegenstelling tot Bouazza ontbeert haar bundel zelfrelativering en ja, literair talent. Bouazza is een schrijver, El Bezaz vooralsnog niet.

Naima El Bezaz: Minnares van de duivel. Contact, 128 blz. €12,50