Fruit voor 25.000 euro

BRUSSEL. ,,Ik noem ze aasgieren, ik heb geen ander woord voor ze. Als het straks gedaan is met die prijzen en het geld dan ben je weer moederziel alleen. Ik kon vannacht niet slapen en ik heb er eens goed over nagedacht, je zit in de penarie. Ze plukken aan je, dat is alles wat ze doen, en als er niets meer te plukken valt dan heb je niemand meer.''

Aan het woord was mijn moeder, die mij belde om mij te feliciteren met een prijs die ik had gewonnen. Ik stond op het station Brussel Midi, zij was in de nederzetting van mijn zus, iets ten noorden van Ramallah, om het joodse paasfeest te vieren.

,,Als je ze nog een keer vraagt om geld van je te lenen, dan moet je zeggen, ga maar naar je vader. Je hebt toch een vader.''

,,Ze heeft al een tijd geen geld van me geleend'', zei ik, ,,je ziet de dingen veel te somber in, het zijn niet allemaal aasgieren.''

Ik vierde geen feesten, hooguit mijn eigen en zelfs die niet altijd. Religieuze opvoeding had geen sentiment bij me achtergelaten. Ik was niet blind voor de waarde van rituelen, maar religie als instrument om de mens te temmen leidde per definitie tot onmenselijkheid.

,,En als je me deze zomer komt opzoeken op mijn vakantiebestemming en je neemt weer een nieuwe mee, dan hoef je niet te komen, dan kun je wegblijven, ik zeg het je nu alvast.''

,,Ik zal niemand meenemen, maar hoe is het daar?'' vroeg ik om een ander onderwerp ter sprake te brengen.

,,Hoe moet het hier zijn? Shit is het hier, grote shit.'' Met het klimmen der jaren houdt mijn moeder steeds meer van krachttermen. Ik heb het idee dat ze ervan opvrolijkt. ,,Ik sta hier in de weg, ik ben volstrekt overbodig. Je zus heeft geen tijd voor me, de kinderen kijken me alleen bestraffend aan. Eigenlijk heb ik niemand op de godganse wereld. Jij belt me wel twee keer per dag, maar echt interesseren doe je je ook niet voor me.''

,,Iedereen is overbodig, je moet je overbodigheid niet zo persoonlijk nemen.''Ik moest hard praten, er kwam net een trein langs.

,,Ja, ja. Doe in godsnaam iets zinnigs met dat geld. Geef het niet weer allemaal weg aan meisjes. Moet je nog steeds de een voor de ander verborgen houden? Oh god, ik word niet goed als ik eraan denk. Je zus zegt dat je altijd al zo bent geweest, al op je derde was je een jokkebrok, en een lafaard. Durf toch eens van je af te bijten.''

,,Ik kan me dat niet herinneren, van toen ik drie was.''

,,En met wie ben je in Brussel?''

Ik was in Brussel met mijn zesentachtigjarige verloofde uit New York, maar als ik mijn moeder dat vertelde zou ze ontploffen. Zij vond die verloving een macabere grap. Haar eigen leven leek te veel op een macabere grap om andere macabere grappen nog te kunnen waarderen.

,,Ik ben hier nu alleen'', zei ik, ,,misschien komt de Regenworm.''

,,Dat lange mens? Geef haar niets van je geld, doe er eindelijk iets verstandigs mee. Koop veel fruit.''

,,Je wil toch niet dat ik voor 25.000 euro appels ga kopen?''

,,Wil je je zus nog spreken?''

,,Geef maar'', zei ik.

De gesprekken met mijn zus werden steeds problematischer. Haar fanatisme nam ieder kwartaal toe. Misschien wel omdat haar twijfel toenam. De fanaticus is doodsbang voor twijfel, daarom verlangt hij naar absolute woorden en absolute daden, om alle twijfel te doden.

Mijn zus is het levend bewijs dat fanatisme niet uitsluitend verklaard kan worden door te wijzen naar opvoeding, armoede, omstandigheden.

,,Hoe is het?'' vroeg ik.

,,Ik houd het niet uit met mama'', zei ze. ,,Ze heeft op alles kritiek, niets wat de kinderen doen is goed, midden in de nacht gaat ze de vuilnis buiten zetten.''

,,Maar daar houdt ze van'', onderbrak ik haar, ,,dat heeft ze altijd al gedaan, dat plezier moet je haar gunnen.''

Op haar hotelkamer zat mijn verloofde nu met een uitgebreid ontbijt. Zonder mij kwam ze de kamer niet uit. Ze sloot zich op met een boek over Brussel en streepte aan wat ze de volgende keer allemaal wilde bekijken. Ik vond haar erg lief en aardig, voor een verloofde, maar ik had ook andere verplichtingen in mijn leven.

Vanochtend vroeg had ze zeker vijftien minuten lang als een klopgeest op mijn kamerdeur gebonsd. Ik had me slapende gehouden en om half twaalf was ik het hotel uitgeglipt.

Toen ik de nacht ervoor niet was thuisgekomen, was mijn verloofde met hulp van een portier mijn kamer binnengedrongen en had overal briefjes achtergelaten waarop stond: `Waar ben je, vieze rat?' Behalve op een, daarop stond: `De Belgische radio heeft gebeld, zal ik ze maar te woord staan?' Door een vergissing van de receptie stonden allebei de kamers op naam van Grunberg en veel telefoontjes voor mij kwamen bij haar terecht.

Noem het licht masochisme, maar ik kon de inventiviteit van mijn verloofde waarderen.

Ach, ik wil nu eenmaal veel mensen tevredenstellen, en dat heeft tot gevolg dat ik soms een hotel door de nooduitgang moet verlaten. Ik laat twijfel toe in mijn leven, veel twijfel zelfs.

,,Ik heb gezegd dat ze zich moet bekeren tot het christendom'', zei mijn zus.

,,Waarom?'' vroeg ik.

Blijkbaar had mijn moeder de hoorn uit de hand van mijn zus gegrist, want ze zei: ,,Omdat ik heb gezegd dat die vrome mensen huichelaars zijn, hypocriete huichelaars. En ik kan deze zomer ook geen kind hebben, ik ben er te oud voor.''

Mijn zus heeft zeven kinderen, en als ze tien zijn mogen ze een zomer naar Amsterdam, naar hun oma, een zomer uit hun gevangenis. Maar ze zijn zo langdurig gehersenspoeld dat ze de gevangenis fijner vinden.

,,Mama'', zei ik, ,,het is onverantwoordelijk dat je daar nu zit. Wanneer kom je terug?''

,,Over een week. Dan moet ik dat kogelvrije vest weer aan, maar dat weegt dertig kilo, daarin verzuip ik. Ik houd een hernia aan dat vest over. Bovendien is mijn hoofd onbeschermd, dus ik heb er niets aan. Ik vind het ook zo treurig dat je zus je bijna nooit ziet.''

,,Ik heb haar niet gevraagd daar te wonen'', zei ik. ,,Ik vind het zielig voor haar kinderen, maar ik kan me niet ook nog voor hen verantwoordelijk voelen. Als ze willen kunnen ze naar New York komen, dan leer ik ze varkensvlees eten. Meer kan ik niet voor ze doen.''

Met die woorden eindigde het telefoongesprek.

Mijn verloofde verliet Brussel een dag eerder dan ik.

Het langdurig kloppen op mijn deur had ze opgegeven, ze liet alleen nog een briefje achter met de tekst: ,,Ik neem een taxi naar het vliegveld.''

De avond ervoor had ze me op haar kamer Belgische kranten laten zien, met foto's van haar. Ze was zelfs doorgedrongen tot een cartoon. De foto's en de cartoon maakten mijn afwezigheid ruimschoots goed.

Ik besloot mijn vliegtuig te missen. Ik had nog wat in Brussel te doen.

Een dag later vloog ik terug naar New York. Ik had even overwogen met mijn 25.000 euro naar Nice af te reizen. Mijn trouw aan verscheidene deadlines woog weer eens zwaarder.

In het vliegtuig las ik Nederlandse, Belgische en Engelse kranten. Ik ben geen alarmist, maar de oplossing van het joodse probleem was verder dan ooit, zoveel was duidelijk.

En ik besefte, voor het eerst eigenlijk, dat ik niet meer naar Europa terug zou keren, in ieder geval niet langer dan voor een paar dagen, of een zomer in Italië.

Voor een jood die géén jood wil zijn is geen plaats en geen toekomst in Europa.