De schaduw van zijn meester

Niemand kende Vlajko Stojiljkovic toen Slobodan Miloševic hem in maart 1997 minister van Binnenlandse Zaken van Servië maakte – als opvolger van de vermoorde Radovan Stojicic. Niemand, behalve natuurlijk Miloševic zelf: de nieuwe minister was lid van `de Pozarevac-clan', die kliek van oude vrienden uit de stad Pozarevac, geboorteplaats van zowel Miloševic als diens invloedrijke eega Mira. Stojiljkovic, in 1937 geboren in het dorp Mala Krsna vlakbij Pozarevac, had in 1987 Miloševic geholpen in diens coup tegen partijleider Ivan Stambolic, de eerste stap van zowel Miloševic als Stojiljkovic op de politieke ladder.

De Servische oppositie, die kende hem ook: tot zijn benoeming tot minister van Binnenlandse Zaken (beter: politieminister) was de jurist Stojiljkovic (bijgenaamd `Deda', Opa, om zijn witte haardos) hoofd van de Servische Kamer van Koophandel. Als zodanig had de oppositie hem leren kennen als een radicaal tegenstander van economische hervormingen, een man die vond dat stakingen als misdrijven moesten worden vervolgd. De oppositie interpreteerde Stojiljkovic' benoeming als een teken van zwakte van Miloševic, want was die voor de leiding van een belangrijk machtsministerie nu al aangewezen op onbekende leden van de Pozarevac-clan? Soortgelijke twijfels heersten ook op het ministerie zelf: een reeks hoge ambtenaren stapte op uit protest tegen de benoeming – sterker: de ontslaggolf veroorzaakte volgens de Servische pers indertijd ,,totale wanorde'' op het ministerie.

Stojiljkovic bleef minister tot de val van zijn meester Miloševic in oktober 2000. Hij stond niet bekend als competent, integendeel. Hij gold als een trouwe uitvoerder van de bevelen van zijn baas en viel verder in het geheel niet op, een vage naam, een man die het grote publiek onbekend bleef.

Zijn bekendheid dankt Stojiljkovic uiteindelijk aan het Joegoslavië-tribunaal, dat hem op 27 mei 1999 samen met Miloševic en nog drie van diens medewerkers aanklaagde wegens misdaden tegen de menselijkheid, moord, vervolging en deportaties in Kosovo tussen 1 januari en eind mei 1999. Als minister van Politie was Stojiljkovic verantwoordelijk voor de hardhandige en steeds wredere manier waarop de Servische politie tussen 1997 en begin 1999 probeerde het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK onschadelijk te maken. Massamoorden als die in Racak in januari 1999, etnische zuivering van dorpen in Kosovo en uiteindelijk de massa-deportaties van bijna een miljoen Kosovaren na het uitbreken van de NAVO-luchtoorlog in maart 1999 kwamen mede op zijn conto en vielen sowieso onder zijn formele verantwoordelijkheid. Net als de `schoonmaakoperaties': op 25 mei, twee dagen voor het Joegoslavië-tribunaal de aanklacht tegen hem en zijn baas uitgaf, kreeg hij van Miloševic de opdracht alle sporen van misdrijven in Kosovo uit te wissen. Zo kwam de beruchte koelwagen met lijken van Kosovaren in de Donau terecht en werden vermoorde Kosovaren herbegraven op militaire terreinen in Servië.

Na de val van zijn meester bleef Stojiljkovic namens de socialistische partij lid van het Joegoslavische parlement. In februari hief dat parlement zijn immuniteit op om de justitie de gelegenheid te geven hem, met 46 andere oud-medewerkers van Miloševic, te kunnen vervolgen wegens fraude en verduistering. Dat was een proces dat `Deda' niet vreesde. Uitlevering naar Den Haag – dat was onverdraaglijk: hij wist al maanden dat hij liever zelfmoord zou plegen dan zich laten uitleveren, zo zei gisteravond zijn advocaat.