De opmaat tot het echec

Menig liefdesleven bestaat uit een lange reeks bevliegingen. Maar liefde is niet alleen maar een gevoel, ze is ook een vorm van kennis en van moraal. Twee filosofen in de wereld van de jonge Werther.

`Een mandarijn was verliefd op een hovelinge. ,,Ik zal de uwe zijn', zei ze, ,,wanneer u honderd nachten op me zult hebben zitten wachten, op een kruk, in mijn tuin, onder mijn raam.' Maar op de negenennegentigste nacht stond de mandarijn op, nam zijn krukje onder z'n arm en vertrok.'

Met die parabel eindigt de Franse semioticus Roland Barthes het hoofdstukje `Het wachten' in zijn boek Fragments d'un discours amoureux, nu vertaald onder de titel Uit de taal van een verliefde. Het is niet voor het eerst dat het boek in het Nederlands verschijnt. Al in 1980, drie jaar na de Franse publicatie ervan en vrijwel samenvallend met Barthes' vroegtijdige dood, verscheen een eerste vertaling onder de titel De taal der verliefden. De nieuwe uitgave blijft dichter bij het Franse origineel en is daardoor soms wat omslachtiger, maar ze vermijdt wel het vreemde woordgebruik van haar voorgangster, waarin een dragueur (versierder) consequent een `sjanser' heette.

De parabel van de mandarijn is kenmerkend voor wat Barthes over liefde en verliefdheid noteert. In korte, alfabetisch gerangschikte fragmenten legt hij minutieus de gevoelens neer die met de liefdesbevlieging samengaan en die – als we Barthes mogen geloven – zelden onbekommerd zijn. Angst, jaloezie, hunkering, minderwaardigheidsgevoel en ontgoocheling wisselen elkaar af in scherpe zelfobservaties, waarbij de grote verliefden uit de wereldliteratuur voortdurend ter vergelijking dienen. Verliefdheid is bij Barthes vrijwel steeds een opmaat voor het echec, en bestaat misschien zelfs wel alleen als een onvervuld verlangen. Twee alinea's vóór zijn de mandarijnenparabel schrijft hij: `Ben ik verliefd? – Ja, want ik ben aan het wachten.'

Die masochistische instelling was typerend voor Barthes' persoonlijkheid, zoals ook zijn narcisme dat was. Die twee te samen leveren een prachtig literair zelfportret op, waarin de verliefdheid een dubbele sleutelrol speelt. Barthes ontleedt niet alleen zijn eigen erotische verlangen – en dat van zijn literaire alterego's – maar ook zijn verliefdheid op de taal zelf, die hij prachtig beschrijft in het hoofdstukje `Het gesprek': `De taal is een huid: ik wrijf mijn taal tegen de ander. Het lijkt wel alsof ik woorden bij wijze van vingers heb... Mijn taal trilt van verlangen... Ik wikkel de ander in mijn woorden, ik streel hem, ik raak hem lichtjes aan.'

Zindering

Er schuilt wellust in die woorden, omwille van de woorden zelf. De zindering van het verlangen wordt nog maar nauwelijks in toom gehouden door de koele stijl waarmee Barthes het Franse classicisme van Racine naar de kroon lijkt te steken. Het steeds bedreigde evenwicht van elegantie en hartstocht dat daarvan het resultaat vormt, is even adembenemend als onaards. Want Barthes' preoccupaties zijn weliswaar af en toe herkenbaar, maar meestal blijven ze, in alle betekenissen van het woord, te gereserveerd om er zonder meer in te kunnen delen.

Een filosofie van de liefde biedt dit boek dan ook uitdrukkelijk niet. In zijn voorwoord noemt Barthes een dergelijke `liefdesfilosofie' zelfs een `monster', omdat ze systematische orde zou moeten aanbrengen op een gebied waar alleen maar het toeval en het fragmentarische heersen. Vandaar dat Uit de taal van een verliefde is opgebouwd uit alfabetisch gerangschikte lemmata (waardoor de vertaling er heel anders uitziet dan het origineel). Alleen de meest toevallige orde kan recht doen aan de wanorde waarmee de liefdesbevlieging de zin en rede van de verliefde slaat. Verliefdheid, aldus Barthes, is `een karige vorm van waanzin (echt krankzinnig is een verliefde immers niet). De liefde maakt me zo goed als gek.'

Is dat waar? Het geldt misschien voor de verliefdheid, maar niet voor de liefde zelf, die iets anders (misschien wel iets heel anders) is. Een terloopse verschrijving daargelaten, spreekt Barthes dan ook ook nauwelijks over de liefde, maar over de liefdesbevlieging die we sinds twee eeuwen associëren met Goethe's Werther: niet voor niets het belangrijkste literaire personage in Barthes' mijmeringen.

Opmerkelijk genoeg begint ook John Armstrong zijn boekje Conditions of Love: The Philosophy of Intimacy met Werther, al is zijn oogmerk nu juist wèl een `liefdesfilosofie'. In Die Leiden des jongen Werthers presenteerde Goethe, aldus Armstrong, een eenvoudige en verleidelijke liefdesvisie: liefde is een gevoel of een emotie. Ze heeft een overweldigende kracht en onttrekt zich aan de wetten van de redelijkheid. Die romantische idee van de liefde – zo vervolgt Armstrong – is nog altijd de onze.

In het vervolg van zijn boekje laat Armstrong zien hoe onhoudbaar en onverstandig een dergelijke liefdesopvatting is. Ook hij maakt daarbij gebruik van de wereldliteratuur, maar grijpt ook regelmatig terug op de geschiedenis van de filosofie. Het resultaat is een buitengewoon plezierig lezend boek, dat gaandeweg indrukwekkend en zelfs ontroerend wordt door de inzichten over liefde en genegenheid die Armstrong zonder een spoor van moralisme formuleert. Conditions of Love is een goede opvolger van het al bijna vijftig jaar oude, enigszins grootvaderlijk geschreven boek Liefhebben, een kunst, een kunde van Erich Fromm, waarmee hele generaties adolescenten hun geliefden hebben verblijd.

Toch zijn Armstrongs inzichten zelden verrassend. We weten op grond van ons gezond verstand en de christelijke traditie nu eenmaal wel wat in de liefde wel en niet verstandig is en wat je van haar verwachten kunt. De ideale partner bestaat niet. De lange termijn is de enige termijn waarop het in de liefde aankomt. Zonder vergevingsgezindheid gaat het niet. En onder een liefdevolle blik wordt de geliefde mooi, omdat liefde bestaat bij gratie van verbeeldingskracht.

Rijpheid

Al die dingen zijn waar, maar Armstrongs boek gaat verder dan wijze liefdeslessen naar het model van de geschenkboekjes Liefde is.... Zijn aanval op het romantische liefdesideaal begint met de constatering dat liefde niet alleen maar een gevoel is. Ze is ook een vorm van kennis (want door haar leren we de geliefde – tot op zekere hoogte – doorgronden) en van moraal (want ze leert ons hoe we met hem of haar moeten omgaan en hoe we in de ander het beste kunnen bovenkrijgen). En ze bereikt haar hoogtepunt in een rijpheid waarin we niet alleen de beperkingen van de ander en van onszelf leren aanvaarden, maar ook die van het leven zelf en van onze mogelijkheid daarin gelukkig te zijn.

Armstrong trekt liefde en verliefdheid uit elkaar, en ziet de laatste als een opmaat voor de eerste. Ook dat klinkt heel verstandig en bekend, maar onze romantische neiging om beide te verwarren is niettemin groot. Dan kan het gebeuren dat de Franse schrijver Frédéric Beigbeder een roman publiceert onder de titel L'amour dure trois ans (Liefde duurt drie jaar) – of dat een plotseling de kop opstekende verliefdheid een reden wordt om een jarenlange bestaande relatie te verbreken. Twee romantische vooroordelen spelen daarbij een rol: de idee dat verliefdheid iets is waaraan iemand geen weerstand kan (of zelfs mag) bieden, en de gedachte dat in de heftigheid van de liefdesemotie het geluk te vinden is.

Dat zijn trieste vergissingen die tot gevolg hebben gehad dat menig liefdesleven inmiddels uit een lange reeks van elkaar afwisselende liefdesbevliegingen bestaat. Gelukkig worden mensen daar zelden van, hoewel het – ironisch genoeg – juist de zucht naar het geluk is die hen tot serie-verliefden maakt. In een cultuur die dol is op emotionele kicks en die het geluk als een recht heeft leren zien, neemt die overschatting van de verliefdheid alleen nog maar toe.

Misschien moeten we nog verder gaan dan Armstrong en liefde en verliefdheid radicaal scheiden. Er is geen enkele reden waarom de tweede per se aan de eerste vooraf zou moeten gaan, net zo min als een nieuwe verliefdheid de bestaande liefde hoeft te bedreigen. Een verliefdheidsavontuur hoeft niet rampzalig te zijn, zolang het met de nodige discretie gepaard gaat – want de jaloezie van de bedrogen partner is vaak wèl rampzalig. Elk slippertje is een risico, maar ook dat laat zich tot op zekere hoogte beheersen.

Het helpt, iedere dag tegen de ander te blijven zeggen: `Ik houd van jou'. Het helpt, zijn pantoffels 's avonds klaar te zetten bij de kachel en haar sherry in te schenken voordat zij erom vraagt. Niet dat dan de liefde wel vanzelf komt. In al haar banaliteit en truttigheid hebben de geschenkboekjes gelijk:

Dat is liefde.

Roland Barthes: Uit de taal van een verliefde. Vertaling Dennis van den Broek. IJzer, 277 blz. €22,50

John Armstrong: Conditions of Love. The Philosophy of Intimacy. Penguin, 167 blz. €21,50. Een Nederlandse vertaling door Lide Jonckheer, `De filosofie van de liefde', verschijnt in september bij Prometheus, €15,95