De grootste schedels maken het wereldrijk

De nieuwe Zadie Smith zou hij worden, alleen beter: de jonge Britse schrijver Hari Kunzru werd al ver voor het verschijnen van zijn debuutroman, The Impressionist, met veel opwinding ontvangen. Zijn boek zou even breed van opzet zijn als White Teeth, maar dan geestiger en gepolijster; hij zou zijn materiaal beter beheersen dan Smith; en in tegenstelling tot Smiths `Rushdie karaoke' een ironische, zelfbewuste, oorspronkelijke stem bezitten. Daarbij werden dan ook nog de astronomische voorschotten die de Britse en Amerikaanse uitgeverijen voor hem neertelden, als bewijs voor zijn kwaliteiten aangevoerd. Kunzru (1969), van half Indiase, half Britse afkomst en redacteur van het hippe tijdschrift Wallpaper, moet duidelijk het mannelijke, multiculturele antwoord zijn op White Teeth, waar iedereen blijkbaar op zat te wachten. Dat maakt het nogal lastig om zijn roman onbevangen tegemoet te treden de neiging is groot om een dergelijk bij voorbaat tot meesterwerk bestempeld boek extreem kritisch te bekijken. Temidden van alle commotie zou je bijna uit het oog verliezen dat het hier gaat om een debuutroman, een beslist niet onverdienstelijke bovendien, van een auteur die hoofdzakelijk zijn caramelkleurige huidskleur met Zadie Smith gemeen lijkt te hebben.

The Impressionist is een historische roman over de Raj, de Britse overheersing van India, en tegelijkertijd een ironische pastische op een bepaald type koloniale literatuur. Maar het is ook een spannend verhaal over een zoektocht naar een thuis, waarden en een identiteit. Het verhaal begint in 1903, wanneer tijdens een zware wolkbreuk een Britse ambtenaar en een hindoestaanse bruid, op reis naar haar toekomstige echtgenoot, in dezelfde grot belanden om te schuilen. De Brit komt om in de overstroming die volgt, de hindoestaanse bruid schenkt negen maanden later het leven aan een jongetje, Pran genaamd, dat door de hele familie wordt geprezen om zijn schitterende blanke huid. Een bewijs van de superioriteit van hun bloed, denken zijn tantes: `Pran Nath, so beautiful! So pale! Such a perfect Kashmiri!' Maar Pran groeit op tot een onuitstaanbaar verwend monster, en wanneer een dienstmeid om die reden zijn ware afkomst verraadt aan zijn `vader', wordt hij het huis uitgegooid. Het is het begin van een reeks bijzondere metamorfosen.

De vijftienjarige Pran komt op aanraden van een bedelaar terecht in een huis waar ze hem weliswaar te eten geven, maar waar hij ook zoveel verdovende middelen krijgt dat hij niet meer weet wie hij is. Zijn `pearl faculty, the faculty that secretes selfhood around some initial grain', is aan het atrofiëren, denkt hij er is nog wel wat leven te bespeuren daarbinnen, maar niets dat zo coherent is als een persoonlijkheid. Wanneer hij weer bij zijn positieven komt, heeft hij meisjeskleren aan en blijkt hij verkocht aan de Nawab van Fatehpur als de hijra Rukhsana, een als vrouw verklede eunuch. De Nawab heeft Rukhsana nodig als pion in zijn hofintriges: de British resident, Major Privett-Clampe, houdt namelijk van mooie jongetjes, en hij is het die beslist over de opvolging van de Nawab. En die wil weer koste wat kost niet zijn decadente, verwesterde broer op de troon zien.

Na tal van onaangename avonturen ontsnapt Rukhsana, en belandt hij in Bombay bij de Independent Scottish Mission among the Heathen, gerund door de eerwaarde McFarlane en zijn vrouw. McFarlane, die zo om zijn eigen redenen geobsedeerd is door raszuiverheid en eugenetica, krijgt uit de hele wereld schedels toegestuurd die hij onderwerpt aan wetenschappelijk onderzoek: `Het blijkt dat, door de onomstotelijke methodologie van de wetenschap, craniometrie het fundament heeft onthuld van de Britse imperiale heerschappij over de wereld.' Britse schedels hebben de grootste inhoud, `dus, Empire'. Hij is gefascineerd door de jongen, nu Bobby geheten, die er zo bedrieglijk puur uitziet. Bobbie zelf is ondertussen ook in de ban geraakt van de raszuiverheid: hij zwerft door de stad en probeert door te gaan voor een Engelsman. Wanneer hij een in India geboren Brit tegenkomt, Jonathan Bridgeman, die voor het eerst in zijn leven zou afreizen naar Engeland, maar voor de ogen van Bobby vermoord wordt, grijpt hij zijn kans, en werpen al zijn impersonaties eindelijk vruchten af.

Kunzru vertelt de geschiedenis van Pran/Rukhsana/Bobby/Jonathan op een lichte, picareske toon. Historische gebeurtenissen als de acties van Gandhi, het bloedbad in Amritsar, de politieke onrust in Bombay, en later ook de fascistische partijbijeenkomsten in Londen, worden even aangestipt maar dienen vooral als achtergrond voor wederwaardigheden van de niet altijd even sympathieke held van de roman. Die zijn in wezen diep-tragisch: hoe dichter Pran zich probeert in te werken in de dominante, Britse cultuur – de Indiase had hem tenslotte weinig goeds gebracht hoe verder hij van dat `oorspronkelijke korreltje' verwijderd raakt waar zijn `parelfaculteit' een zelf omheen zou kunnen creëren. Kunzru laat subtiel zien hoe Pran steeds meer uitsluitend uit oppervlakte begint te bestaan, `een tissue die tegen de zon wordt gehouden. Hij suggereert transparantie, alsof er aan de andere kant, aan de binnenkant, iets is wat ontdekt kan worden. Misschien is het er, misschien ook niet.'

Pran is een meester-imitator, doet feilloos accenten na, herhaalt toevallig opgevangen meningen over de `unspeakable vileness of Mr Gandhi', het positieve morele effect van teamsporten of `how perfectly impossible it is to grow a good lawn in India'. Eenmaal in Engeland houdt hij lijstjes bij in notitieboekjes van typisch Engelse dingen die hij zou moeten kennen. In Oxford studeert hij antropologie, uiteraard vanuit het perspectief van de blanke kolonisator. Dat kan niet goed gaan: `Als je je hele leven hebt geordend langs een ladder (met bijvoorbeeld iets glanzend wits bovenaan, en kleverige zwartheid onderaan) zijn er consequenties wanneer iemand die wegtrapt.' En die ladder wordt meer dan eens behoorlijk hard onder Jonathan/Bobby/Rukhsana/Pran weggetrapt.

The Impressionist is een soort tragische historische schelmenroman, die zich eigenlijk onttrekt aan traditionele genres. Kunzru is op zijn geestigst wanneer hij die genres pasticheert. Zo lezen we, net wanneer Major Privett-Clampe op het punt staat zich te vergrijpen aan Rukhsana: `Delicacy suggests that this juncture might be suitable for a short survey of the history and geography of the principality of Fatehpur, a fascinating subject which has largely escaped the attention of scholars of the Punjab.' En na de daad vraagt de alwetende verteller zich af of die nu bezien moet worden vanuit een koloniaal historisch perspectief of als de werking van karma. Ook speelt Kunzru met de gewoonte van een bepaald soort romans om de werking van het noodlot breed uit te meten, en ook vooraf aan te kondigen: `Huge forces are tensed, ready to uncoil.' In andere opzichten werkt Kunzrus hang naar een conventionele vertelstijl minder goed. Zo schetst hij de achtergronden en motieven van minder belangrijke personages meestal in lange flashbacks, een trucje dat na verloop van tijd meer gaat lijken op structurele incompetentie dan op parodie. The Impressionist heeft dus een aantal duidelijke zwakke plekken, en ook is het boek als geheel wat te lang uitgesponnen, maar het blijft niettemin een sterk staaltje vertelkunst. De nieuwe Zadie Smith is Kunzru gelukkig niet, wel een oorspronkelijk en bijzonder talent.

Hari Kunzru: The Impressionist. Hamish Hamilton, 481 blz. €18,83. Verschijnt in mei als De poseur in Nederlandse vertaling bij Podium.