Alleen in de wereld

Een grondige reconstructie, die behulpzaam kan zijn in het verdere proces van verwerking. Zo betitelde minister-president Kok afgelopen woensdag het rapport Srebrenica, een `veilig' gebied, van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Verwerking, daar komt het inderdaad op neer. Lessen vallen er nauwelijks meer te halen uit het rapport, want die waren al getrokken: dit nooit meer. Maar is dat niet altijd de conclusie na een ramp?

Als de zeer uitvoerige studie van het NIOD iets duidelijk maakt is het dat collectieve blindheid toeslaat op het moment dat iedereen is aangeraakt door op moralisme gestoelde daadkracht. En zo was de stemming in 1992 in Nederland, toen de roep om ingrijpen in Bosnië bijna dagelijks klonk. De voorstanders van interventie op morele gronden waren veruit in de meerderheid, schrijft het NIOD. Er waren wel kritische geluiden, maar dit betrof slechts een ondertoon die, aldus de onderzoekers, ,,steeds het gevaar liep te worden gediskwalificeerd wegens onvoldoende moreel besef''. Het beschikbaar stellen van Nederlandse militairen voor uitzending naar het wespennest Bosnië noemt het NIOD dan ook ,,de bezegeling van de overwinning van het beleid op morele grond.''

Terecht staat het NIOD uitvoerig stil bij deze `omgevingsfactor'. Want dat Nederlandse politici, maar ook de publieke opinie tien jaar geleden niet of nauwelijks openstonden voor tegengeluiden heeft alles te maken met het overheersende morele besef. Maar dat maakt een politiek oordeel nu over toen wel uiterst moeilijk. Er heerst immers op dit moment een heel ander besef, voor een niet onbelangrijk deel juist gevoed door de traumatische ervaringen die met de `mission impossible' in Srebrenica zijn opgedaan.

Volgens de regels van de ministeriële verantwoordelijkheid is helder wie er moeten worden aangesproken: dat zijn de nu zittende ministers. Zij zijn volop verantwoordelijk voor het beleid van hun voorgangers. Maar wat zegt dat in de beoordeling van de zaak-Srebrenica waar de goed-en kwaad-afweging zo dominant was? Minister De Grave zal straks verantwoording moeten afleggen voor dat beleid van zijn voorganger Joris Voorhoeve. Maar in werkelijkheid was De Grave ten tijde van het Srebrenica-drama wethouder te Amsterdam. Dat wordt toch een enigszins bizarre vertoning.

De enige rechtstreeks aanspreekbare is minister-president Kok die ook al in 1995 in die functie zat, zij het in een ander kabinet. Hij kan zich direct verantwoorden over zijn gebrek aan regie dat het NIOD hem verwijt. In het uiterste geval, kan de Kamer Kok dit zo zwaar aanrekenen dat hij dient op te stappen. Maar dan vertrekt dus de Kok uit het tweede kabinet-Kok, vanwege falen in het eerste kabinet-Kok. Het is eerder gebeurd bij ministers, maar het heeft toch iets vreemds.

Het is niet de enige complicerende factor voor het politieke debat over het

NIOD-rapport dat op de laatste (!) vergaderdag van de Tweede Kamer voor de verkiezingen zal worden gehouden. Wat te denken van de overige rolverdeling? Het ligt voor de hand dat een debat over een zo belangwekkend rapport als dat van het NIOD zal worden gevoerd door de fractievoorzitters. Maar twee van hen, PvdA-leider Melkert en VVD-leider Dijkstal waren minister in het kabinet toen het Srebrenica-drama zich voltrok. Het dreigt zodoende één onontwarbare kluwen van wisselende verantwoordelijkheden te worden.

Voor de toch al argwanende buitenwereld zal hierdoor het clichébeeld van de Haagse politiek die zichzelf de hand boven het hoofd houdt alleen maar worden versterkt. Als de gevoelens die geuit worden via talkradio-programma's maatgevend zijn, is duidelijk wat het volk wil: er zullen koppen moeten rollen. Probleem is alleen dat hèt volk dat altijd wil. Onder normale omstandigheden weten rationele politici die druk wel te weerstaan; sterker nog, de afgelopen paarse jaren lijkt het zittenblijven tot hoogste doel te zijn verheven. Maar hoe normaal zijn de omstandigheden nog in deze electoraal gesproken uitermate onzekere tijden?

De Srebrenica-affaire zelf, maar zeker de chaotische nasleep ervan is een prima voeding voor het anti-Haagse sentiment dat toch al in het land heerst. De jongens en meisjes van Dutchbat valt niets te verwijten, de politiek des te meer, is de meest bondige en grove samenvatting van het NIOD-rapport zoals die dan ook afgelopen woensdag op de voorpagina van de Telegraaf stond. De partij die dat gevoelen weet te verwoorden vindt een willig oor bij de kiezer. Maar er zijn maar weinig in de Tweede Kamer zittende partijen die niet aan de Srebrenica-gebeurtenissen zijn gecommitteerd. Niet voor niets staat in het NIOD-rapport dat in het parlement brede consensus werd nagestreefd en bereikt en dat de Tweede Kamer ,,vrijwel tot op uitvoerend niveau'' aan het beleid werd gebonden.

Nee, dan Pim Fortuyn. Die schreef zeven jaar geleden een week na de val van de enclave in zijn wekelijkse Elsevier-column: ,,De Nederlandse regering is een krachteloze trekpop van de internationale politiek onder leiding van een minister-president die gedurende deze ramp in geen velden of wegen valt te bekennen.'' En het politieke oordeel had Fortuyn toen ook reeds klaar: ,,De politieke beoordelingsfouten die zijn gemaakt dienen ook politieke consequenties te hebben en niet te worden afgedaan met: we hebben naar beste weten en inzicht gehandeld. In een normaal land treedt de verantwoordelijke minister na afhandeling gewoon af.''

Steeds meer `Haagse' politici stelden de afgelopen tijd met een blik op de peilingen vergenoegd vast dat Fortuyn over zijn hoogtepunt heen was. Het zou wel eens een kwestie van te vroeg juichen geweest kunnen zijn.