Aan het leven gekluisterd

Een ziekte krijg je niet voor niets. Zo is het althans in het werk van Christa Wolf. Het gedeelde Duitsland was de schuld van Rita's ongeval in Der geteilte Himmel (1963). De hersenoperatie van iemand in Störfall (1987) had te maken met de Tsjernobyl-ramp. En het Oost-Duitse systeem was de oorzaak van Christa's leukemie in Nachdenken über Christa T. (1968).

Ook in Leibhaftig, Wolfs nieuwe boek, is er tussen ziekte en politiek een causaal verband. Dat krijgt gestalte in twee verhaallijnen. De ene verhaallijn is die van een oudere vrouw op de intensive care, ergens in Oost-Berlijn; of zij de zware operaties zal doorstaan moet nog maar blijken. De andere verhaallijn is de zoektocht van die vrouw naar een zekere Urban. Urban is spoorloos verdwenen en niemand kan zeggen of hij nog leeft. In haar herinneringen leeft hij nog wèl, en hoe. Ze studeerden samen, ze waren goede vrienden. Maar Urban ontwikkelde zich tot een partijbons die zijn principes verruilde voor macht.

Beiden verkeren in gevaar en het is niet moeilijk om hun lot te associëren met hun land, de stervende DDR. De DDR in haar moment van agonie, na de val van de Muur en voor haar opheffing. Wolf noemt geen jaartallen maar bekend is dat zij in die periode zèlf door een levensbedreigende ziekte werd getroffen. Op de Berlijnse Alexanderplatz, in 1989, had zij een redevoering gehouden waarin ze pleitte voor een menselijk socialisme. De DDR kon wat haar betreft blijven bestaan als ze van binnenuit grondig zou worden veranderd. Maar het volk wilde de DDR niet meer. Het volk wilde kapitalisme, en snel.

Ineens hoorde Christa Wolf bij de prehistorische oudjes, bij de fossielen die nog in iets geloofden dat zichzelf allang had overleefd. De ooit zo geliefde Oost-Duitse schrijfster was door haar eigen volk op een zijspoor gezet. Een jaar later nam ze revanche met de vertelling Was bleibt. Toen kreeg ze ook nog eens het West-Duitse volk over zich heen. Want in haar vertelling fungeerde zij als het slachtoffer van de staat die ze had willen behouden: de auteur deed uit de doeken hoe zij in 1979 een paar maanden lang door de Stasi was geschaduwd. Honend schreven de critici dat zij eerder met haar onthullingen had moeten komen; nu konden ze toch niet meer kwaad. Christa Wolf kreeg een hartaanval en verstomde.

Ook de zieke in Leibhaftig kan nauwelijks praten; ze heeft er de kracht niet meer voor. Roerloos ligt ze aan een infuus en het enige dat nog beweegt is haar geest. Die doet waar hij zin in heeft, niet gedwarsboomd door een bazig bewustzijn. In een roes van pijn, koorts en opiaten zweeft het alter ego van Christa Wolf boven haar ziekbed, door de Berlijnse lucht. Over de daken vliegt zij, en beneden, heel diep beneden, ziet zij de Alexanderplatz. Soms maakt ze plots een duikvlucht, dwars door de aardkorst heen. Dan belandt ze in de Berlijnse kelders, in een labyrint van gangen en gewelven waar ze allerlei mensen van vroeger ontmoet.

Zoals die studiegenoot Hannes Urban. Zijn Werdegang had ook de hare kunnen zijn. Een carrière ten koste van vriendschap en integriteit; een post die met behulp van conformisme wordt verdedigd. Christa Wolf veroordeelt hem niet. Ze praat hem ook niet goed. Ze laat hem wel sterven, tegelijk met de staat die hem voortbracht. Urban ìs die staat: laf en ruggengraatloos, gedoemd om ten onder te gaan. De redding van de Wolf-achtige vrouw is dat zij zich niet met de staat heeft vereenzelvigd. Zij is trouw aan zichzelf gebleven, maar bijna was ook zij aan lafheid bezweken. Daarom moet zij die ziekte doormaken: bij wijze van purgatorium, als reinigend vagevuur.

Haar anesthesist heet Kora. Een vreemde naam, prevelt de zieke, en ze denkt aan het mythische meisje Kore dat door de koning van de onderwereld werd geschaakt. Ook Kora gaat met haar patiënte de Hades in, voor en tijdens de operaties. En ze helpt haar de Hades uit. Zo vervlecht Wolf symboliek en feiten. Haar kennis van het menselijk lichaam gaat gelijk op met haar taalgevoeligheid en de titel verwijst naar beide: het zelfstandig naamwoord `Leib' staat voor het lichaam, het achtervoegsel `haftig' voor de mogelijkheden van de taal en het hele compositum wil zoiets zeggen als `aan het lichaam gekluisterd'.

Met Leibhaftig schiep Christa Wolf een nieuwe `stream of consciousness'-techniek, de `stream of unconsciousness'. Op de rand van het onzegbare balanceert haar vertelling, maar de bijna-dood-ervaring van de vrouw blijft een persoonlijke zaak, gekleurd door eigenaardig macabere humor. `Dan gilt ze, er komen knipperende griezels op haar af, vierkante plompe robotvoertuigen die rode lampen op hun voorhoofd hebben (...). Pas op! roept ze, en zuster Evelyn zegt onverschillig: Ach, die stomme dingen!, waarop de monsters rakelings haar bed passeren. – Wat was dat! – Dat zijn maar computergestuurde containers, die transporteren in onze plaats het beddegoed en het eten.'

Christa Wolf, met haar fascinatie voor schuld en pijn, is een ware Vrouw van Smarten. Christa Wolf, met haar spottend-zelfkritische blik, is ook een komisch talent. Die combinatie maakt Leibhaftig geestig in de volle betekenis van het woord.

Christa Wolf: Leibhaftig. Luchterhand, 185 blz. €22,50