Vreemde collecties van wakkere Wijsgeeren

De familie Vrolik heeft haar naam geen eer aan gedaan. Goed, ze richtte in Amsterdam het Vrolicianum op, het grootste museum in zijn soort, maar hun verzamelgebied moet toch vooral het publiek hebben getrokken dat tegenwoordig afstevent op tentoongestelde martelwerktuigen: het bood zo'n 5.000 menselijke en dierlijke resten en 950 schedels. Een fractie van die schedels staat nu opgesteld in het Teylers Museum in Haarlem.

Anatoom Vrolik is een van de 18de en 19de-eeuwse, vooraanstaande burgers die verbonden waren aan de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in Haarlem. Dit genootschap van amateurs en `wakkere Wijsgeeren', 250 jaar geleden opgericht om gezamenlijk de wetenschap te beoefenen tot nut van het algemeen, beheerde van 1759 tot 1866 een Naturaliënkabinet, dat nu onder de tentoonstellingstitel Het Verdwenen Museum in herinnering wordt geroepen. Een type museum – met naturalia èn kunstobjecten – dat ophield te bestaan toen er echte, specialistische musea kwamen.

Maar wat doen schedels en gedroogde vissen op deze kunstpagina, kan men zich afvragen. Simpel: uit zo'n microkosmos die `Gods almacht aanschouwelijk maakte' is de Nederlandse museumcultuur voortgekomen. En menigeen zal in Teylers ervaren dat de verwondering over `de moeder van alle konsten' nog steeds besmettelijk is, al was het maar vanwege die pimpelpaarse vruchtenkraai, of dat ene kniehoge hertje. Voeg daarbij dat bijna alle musea van nu schatplichtig zijn aan de nieuwsgierige burgers van toen, en dan wil je wel eens zien wat het voorgeslacht als `de wereld' in huis haalde.

Het Verdwenen Museum moet beginnen met de beroemde Amsterdamse apotheker Albertus Seba (1665-1736), op wiens naturalia tsaar Peter de Grote de hand legde, maar wiens vierdelige catalogus van grote, ingekleurde kopergravures gelukkig hier bleef. Vlakbij Seba's bladen hangt ook de meest bizarre tekening van de tentoonstelling: het portret van een kwal, een giftig `Portugees oorlogsschip', dat gemakkelijk kan doorgaan voor de eigentijds sensueel beeld. Tekenaar Joan Gideon Loten (1710-1789) dreef handel op Ceylon en Makassar en je had toen nog tijd genoeg om er de vissen, vlinders en vogels in verf te inventariseren.

In de 18de eeuw telde Nederland 340 privé-musea, rariteitenkabinetten, volgestouwd met alles wat zich ophoudt tussen mossen en mammoeten. Een patriciër als Coenraad Jacob Temminck werd omringd door vierduizend vogels, vertelt het feestelijk geïllustreerde boek dat Teylers net over deze natuurhistorische verzamelingen heeft gepubliceerd. De schelpengekte kon zich meten met de tulpomanie en dankzij heren als de Rotterdamse koopman Joan Coenraad Brandt bezit het Zoölogisch Museum in Amsterdam nu `venusnavels' en `begynedrollen'. Hoe gretig men op zoek was naar schepselen in zee – als nu naar leven op planeten – onthullen ook de gedroogde vissen die de Leidse advocaat Laurens Theodorus Gronovius als boombladeren wist te prepareren.

In de vitrines staan veelal kleinere zoogdieren opgesteld, zoals handhoge aapjes, vliegende eekhoorns en vogelbekdieren. Men koesterde meteoorstenen en mineralen, nierstenen en houtsoorten, en wezens op sterk water, zoals een doodgeboren kindje uit Suriname dat als een exotisch poppedijn versierd werd met een verentooi en een goudkleurig halsbandje.

Het Naturaliënkabinet is bijna volledig verloren gegaan. Bakken vol insecten verdwenen door de vraatzucht van hun nabestaanden. De organen en ingewanden van een in Zandvoort aangespoelde walvis bewaarde men aanvankelijk in zo'n dertig potten met jenever of brandewijn en wie ze verzuimde bij te vullen, zag en rook hoe genadeloos de vergankelijkheid toesloeg. Sommige deelcollecties, zoals paradijsvogels en vlinders, werden als diorama's gepresenteerd in pronkkasten, waarvan enkele exemplaren in de tentoonstelling zijn opgenomen, en dan is er ook nog het Zeeuwsche Genootschap, Haarlems voorbeeld, dat hier is vertegenwoordigd met een kast waarin waarachtig een nep-draakje op sterk water naast een ingenieus wespennest en narwaltand wordt bewaard.

,,Holland is een magazijn van uitheemse natuurvoortbrengselen geworden'', schreef een 18de-eeuwse Leidse lector, maar er waren maar weinig mensen ,,wier aandagt door de nevelen van het oppervlakkige heen ziet.'' Met hen die dat wèl deden laat Teylers ons nu kennismaken. Waar elders in Europa stukken ,,van groote merkwaardigheid'' werden bewaard en hoe ze op drift raakten van de ene dierentuin naar het volgende museum, valt allemaal na te lezen in dat prachtboek.

Tentoonstelling: Het verdwenen museum. T/m 9-6 in: Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. Open di-za 10-17 u, zo-feestda. 12-17 u. Boek: €22,50.