NIOD moest wel meer doen dan feiten oplepelen

De door het NIOD gesanctioneerde versie van het drama-Srebrenica is precies wat het gisteren verschenen rapport zo kwetsbaar maakt, meent Christ Klep.

Het gisteren verschenen NIOD-rapport had zich kunnen beperken tot droge waarheidsvinding. Dat zou saaie lectuur hebben opgeleverd. Toch was dát de oorspronkelijke opdracht: het inventariseren en ordenen van het relevante feitenmateriaal. Het NIOD-rapport overstijgt die opdracht. De verklaring is simpel: de verwerking van het Srebrenica-drama is het stadium van droge feitelijkheden al lang ontstegen. Het is een moreel proces geworden, over schuld en onschuld, lafheid en moed, pragmatisme en ethiek. Het gaat immers uiteindelijk over genocide.

Het NIOD stond voor een duivels dilemma. Na vijfeneenhalf jaar en reeksen onthullingen zou de Nederlandse goegemeente geen genoegen meer nemen met een dorre reeks feitjes. Daarvoor was politiek te veel in dit rapport geïnvesteerd. En dus kwam er een historisch onderzoek dat wél oordeelde. Sterker, het rapport staat vol met interpretaties. Dat is enerzijds methodologisch onvermijdelijk: schrijven is weglaten en dat impliceert keuzes. Zelfs bij duizenden bladzijden vallen vooral de zaken op die er niet in staan. Maar aan de andere kant velt het rapport waardeoordelen op basis van een eigen rangschikking van de feiten. Die aanpak is verklaarbaar. Het is in de leeuwenkuil van de Srebrenica-discussie beter om zélf de goed-fout-discussie te initiëren dan passief de klappen af te wachten.

In een dergelijk moreel bepaald debat heeft uiteindelijk niemand écht helemaal gelijk of ongelijk. De norm is immers het persoonlijk oordeel: hoe had het moeten zijn? De IKV-brochure heeft die gedachte als uitgangspunt. Maar ook het NIOD stapt deels in de methodologische val van achteraf hineininterpretieren. Al bij eerste lezing van het rapport vallen inhoudelijke tegenstrijdigheden op die voortvloeien uit een schijnbaar betrekkelijk willekeurige ordening van het feitenmateriaal. Hoe valt het NIOD-oordeel dat het bataljon `naar vermogen' heeft gefunctioneerd te rijmen met de zeer zware kritiek van individuele Dutchbatters op vooral de bataljonsleiding? De verhouding tussen het medisch personeel in de enclave en diezelfde bataljonsleiding was uitgesproken slecht. Het rapport is opvallend positief over overste Karremans: diens verslagen houding tegenover Mladic wordt – in elk geval impliciet – deels vergoelijkt als een `weinig mediageniek optreden'. Natuurlijk, het is achteraf gemakkelijk oordelen, maar kan niet met evenveel recht worden vastgesteld dat Karremans als UNPROFOR-officier op geen enkele wijze tot de bevelslijn van Mladic behoorde, en dat hij zich nooit zo had mogen laten schofferen – tv-camera's of niet?

Het rapport benadrukt dat de verdediging van de enclave ,,uitdrukkelijk niet tot de taak of instructie behoorde''. Toch stipuleerden zowel het mandaat – en zeker de geweldsregels – dat militairen gewapend verzet mochten bieden indien de bevolking in onmiddellijk gevaar kwam. Het NIOD had derhalve evengoed kunnen oordelen dat Dutchbat méér had kunnen doen om met name de mannen te beschermen.

Het rapport oordeelt hard over het besluit tot deelname aan de Srebrenica-missie en over de rol van premier Wim Kok. Het ultieme – en effectieve – weerwoord tegen de kritiek op het Nederlandse deelnamebesluit blijft: ,,Hadden we met de handen over elkaar moeten afwachten tot aan al Uw voorwaarden was voldaan?'' En hoe valt het NIOD-oordeel dat premier Kok te weinig de regie voerde te combineren met de opmerking van NIOD-directeur Blom, gisteren tijdens tijdens de persconferentie, dat we de positie van de eerste-minister in het Nederlandse staatsbestel niet mogen overdrijven?

Hier speelt een verschijnsel dat onverbrekelijk samenhangt met hedendaagse vredesoperaties en de moderne informatie- en verbindingstechnieken. Het debat over Srebrenica is mede zo complex (en onbevredigend) juist omdát we er zoveel over weten. Elke operatie levert tienduizenden bevelen, berichten, aantekeningen, memo's, dagboeken, brieven en video's op. Die worden vaak gekopieerd en verspreid over vele staven en individuen. Er circuleert altijd wel ergens een exemplaar. In de nasleep van het Srebrenica-drama verhoorde de landmacht alle militairen van Dutchbat: meer dan vierhonderdvijftig vraaggesprekken en vele duizenden bladzijden bewijsmateriaal. De commissie-Bakker had slechts een deelopdracht, maar verwerkte niettemin vierhonderd strekkende meter archiefstukken. Tel bij die berg documenten de media-berichtgeving, de boeken en de artikelen. Van bijna elke gebeurtenis in het drama-Srebrenica is wel ergens een spoor(tje) te vinden. Niemand overziet die informatiebrei als geheel, en iedereen vindt wel iets van z'n gading.

Die overvloed aan informatie is een paradox waarmee niet alleen Nederland worstelt. Ook andere landen hebben geprobeerd de oorzaken van ontspoorde vredesmissies in dikke rapporten te ontrafelen. Het relaas van de Franse placebo-commissie over Srebrenica is bekend. Minder bekend zijn de Belgische senaatscommissie over het Rwanda-debacle in 1994 (tien Belgische blauwhelmen verloren toen het leven aan het begin van een ongekende genocide) of de Canadese Public Inquiry naar de misdragingen van para-commando's in Somalië (1993). De Belgische senaatscommissie verklaarde alle betrokkenen in meer of mindere mate schuldig. En dus was er niemand écht schuldig. De Canadese Somalië-affaire barstte los na de publicatie van (wél goed ontwikkelde) foto's van martelende militairen. De Canadese commissie doorploegde meer dan een miljoen pagina's. Ze vermoedde bovendien een cover up door de Canadese regering en de militaire top. Het eindrapport van de commissie uit 1997 was niet mals: de onderzoekers brandden het regeringsbeleid inzake Somalië en de kundigheid van de militaire top tot de grond toe af. Hadden ze maar moeten meewerken. De Canadese regering noemde het rapport `een belediging voor de strijdkrachten' en ontkrachtte de aanbevelingen met een reeks eigen maatregelen. Had de commissie maar minder eigenwijs moeten zijn.

Het was na vijfeneenhalf jaar evident dat het NIOD-rapport veel zou losmaken. De betrokkenen hadden zich ingegraven, de cursussen mediatraining zaten vol. Het ging niet meer alleen om de feiten. Men verwachtte oordelen in de eertijdse `goed-fout'-traditie, geen zakelijk rapport. Die `door het NIOD gesanctioneerde versie' is er gekomen. En dat is precies wat het rapport zo kwetsbaar maakt.

Christ Klep is historicus en doet onderzoek naar de politieke verwerking van ontspoorde vredesoperaties.