Meer aandacht nodig voor het familiebedrijf

De komende vijf jaar stopt 15 procent van de midden- en kleinbedrijven of wordt te koop aangeboden. Dat concludeert een NIPO-onderzoek naar bedrijfsoverdrachten, in opdracht van de Vereniging van Kamers van Koophandel. Het gaat om zo'n 90.000 bedrijven. Belangrijkste oorzaak: het gebrek aan opvolgers. Een zorgelijke ontwikkeling, vindt Marcel Douma.

Ondanks de recente `noodkreet' van de Kamers van Koophandel over de te verwachten grootschalige verkoop van midden- en kleinbedrijven, wordt het effect van die massale verkoop voor de Nederlandse economie geridiculiseerd: faillerende of stoppende bedrijven laten weliswaar een gat achter, maar dat wordt heel snel weer opgevuld door anderen. De succesvolle ondernemingen zullen worden verkocht. Omdat het binnen het MKB lastig is een overnamepartner te vinden er bestaat immers geen netwerk hebben de Kamers van Koophandel de 'Ondernemingsbeurs'. Dat is een goed initiatief, dat de handel vergemakkelijkt. Het zou echter te kort door de bocht zijn om je daarmee van dit vraagstuk af te maken. Want dan wordt geen recht gedaan aan de Nederlandse familiebedrijven.

Het familiebedrijf heeft een wat stoffig imago. Bekend zijn de clichés van geslotenheid, beheerste groeiscenario's, weinig of geen externe financiering, zelden beursgenoteerd en al helemaal niet sexy. De aandacht in de media en in de politiek voor dit type ondernemingen is niet groot en er zijn genoeg stemmen die zeggen dat ze uit de tijd zijn. Prima dus om ze in groten getale te verkopen aan bedrijvengroepen of grote concurrenten. Dat past immers goed binnen de gewenste schaalvergroting.

Naar mijn idee is dat een grote misrekening: de economische en sociaal-maatschappelijke waarde van het huidige bestand aan zelfstandige familiebedrijven is veel groter dan men denkt. In 2000 heeft het Centrum van het Familiebedrijf in Tilburg onderzoeken naar familiebedrijven verzameld en vergeleken. Het rapport spreekt van ruim 200.000 actieve ondernemingen in Nederland die familiebedrijf genoemd kunnen worden. Samen zijn deze verantwoordelijk voor ongeveer de helft van het bruto nationaal product. Volgens MKB Nederland zijn ze goed voor bijna 65 procent van de werkgelegenheid in de private sector. Veel innovaties beginnen hier. Ruim de helft van de ondernemingen noteert gemiddeld meer dan 5 procent groei per jaar. Er kan dus gesteld worden dat familiebedrijven een belangrijke economische motor vormen.

De sociaal-maatschappelijke waarde van familieondernemingen is nog groter. In het familiebedrijf gaat het om persoonlijke zingeving, om gedrevenheid en bezieling. Het is net als elk ander `eigen bedrijf' een onderneming in de letterlijke zin van het woord: men onderneemt en dat impliceert het steeds weer ondernemen van nieuwe activiteiten voor eigen rekening en risico. Dat is een wezenlijk verschil met de multinationals en met het andere `grote bedrijfsleven' (waar het topmanagement tijdelijk een onderneming in beheer heeft, veelal met optieregelingen, maar niet met eigen geld). Het familiebedrijf vervult een maatschappelijke voorbeeldfunctie die niet moet worden onderschat.

Dat geldt ook voor de sociale verantwoordelijkheid van het familiebedrijf: de familienaam vormt vaak een onderdeel van de bedrijfsnaam. Men zal zich dus wel hoeden voor extravagante uitspattingen, ook op het gebied van beloning. De schaal waarop het familiebedrijf opereert impliceert ook sociale verantwoordelijkheden. Slechts 1 procent van alle familiebedrijven heeft meer dan 100 werknemers, 84 procent werkt met minder dan 10 medewerkers. Bijna alle familieondernemingen zijn kleinschalig. Directie en personeel kennen elkaar bij naam. Soms zijn al meerdere generaties medewerkers van dezelfde gezinnen betrokken bij het bedrijf.

Tot slot heeft het bedrijf in de vestigingsplaats veelal een functie die verder gaat dan alleen werkgever. Het sponsort de plaatselijke voetbalvereniging en verstrekt niet alleen substantiële bijdragen in geld, maar ook materiaal, tijd en expertise aan lokale activiteiten.

Het belangrijkste aspect van het familiebedrijf is echter dat het een functie vervult voor de lange termijn zolang de stamboom generatie na generatie blijft groeien. Dit type bedrijf is een met de familie verweven middel om het welzijn van vele generaties te dienen. Beslissingen hebben dan ook altijd betrekking op vele jaren. Duurzaam ondernemen is niet een beleidsuitgangspunt, maar een vanzelfsprekendheid. `Korte klappen, snel thuis' en even snel rijk worden zit meestal niet in het jargon. Het moge duidelijk zijn dat de grote maatschappelijke waarde van familiebedrijven voor Nederland ligt in de vanzelfsprekende duurzaamheid en sociale verwevenheid met de mensen en met de omgeving.

Waarom zijn de opvolgers, met name zoons en dochters, zo moeilijk te porren voor overname van deze mooie bedrijven?

Vaak zit dat niet eens in de grote financiële risico's die moeten worden aangegaan of in de zware fiscale overdrachtsaanslag. Meestal hebben ze daar op het moment van beslissen nog niet eens een goed beeld van. Wel is een tot de verbeelding sprekende bedrijfsactiviteit van belang, evenals de overtuiging dat het bedrijf ruimte biedt om eigen ideeën te ontplooien. Soms wordt het familie-element en de historie als knellend ervaren. Overmatige overheidsregulering en een overdaad aan geformaliseerde inspraak dragen ook niet bij aan het overname-enthousiasme. Daar komt bij dat bedrijfsoverdracht voor de betrokken ondernemer, familieleden en werknemers een zeer ingrijpend en vaak ook emotioneel proces is. Uit eigen praktijk weet ik dat men daar vaak erg tegenop ziet en dat veel adviseurs te weinig ervaring of inlevingsvermogen hebben voor deze specifieke vraagstukken.

Maar de grootste demotiverende factor in de afgelopen jaren om een familiebedrijf over te nemen was de `graaicultuur' binnen het grootbedrijf door de superbonussen en aandelenopties, de `snel rijk' zeepbellenbedrijven op de aandelenbeurs, de spilzucht en de `niemand-is-verantwoordelijk-houding' binnen de publieke sector. De wetenschap dat er elders op de arbeidsmarkt veel simpeler aanzienlijk meer geld te verdienen is met minder risico en minder stress is een remmende factor. Een opvolger is ook gewoon een `homo economicus'.

Bovenstaande ontwikkeling staat helaas niet op zichzelf. Het bekende bedrijfsleven ontwikkelt zich meer en meer separaat van de rest van de maatschappij. Er gelden daar blijkbaar eigen regels. De ontvlechting is in volle gang. Betrokkenheid bij de mensen en bij de omgeving bestaat alleen voor zover het `beleid', de wet en de ondernemingsbalans dat toelaten. Een vrij zielloze benadering die terecht een navenante tegenreactie van werknemend Nederland oproept.

Ontmanteling van het stevige fundament van kleine tot middelgrote familiebedrijven leidt tot een nog verdergaande maatschappelijke verzakelijking, waarbij de verhandelbaarheid van bedrijven het belangrijkste economische kengetal vormt, de aandelenhandel de belangrijkste economische bezigheid is, de werkende mens van productiemiddel tot `economische waarde' is `gepromoveerd' en we van armoede `betrokkenheid en bezieling' moeten gaan onderwijzen aan onze managementopleidingen.

Nee, de ziel moet terug in de bedrijven en de overheid dient hierin een cruciale rol te spelen door het omarmen van kleinschaligheid en stimulering van eigen bedrijven. En dan gaat het niet alleen om startersbeleid maar vooral om `doorstartersbeleid': het voortzetten van bestaande bedrijven door een nieuwe generatie ondernemers. Ook door de vereenvoudiging en stimulering van de overdracht binnen de familie en/of naar het management. Echt ondernemen moet weer aantrekkelijk gevonden worden, ook binnen families.

De vraag is echter of het al niet veel te laat is. We wachten gespannen af of de Kamer van Koophandel met haar `noodkreet' de noodzakelijke politieke en media-aandacht voor deze ontwikkelingen kan vragen om zo het tij te keren.

Er is een klein tijdelijk lichtpuntje: het is niet onwaarschijnlijk dat de huidige economische stagnatie de voorspelde uitverkoop van familieondernemingen zal vertragen. Maar zonder maatregelen komt er uiteindelijk toch een echte uitverkoop op gang. En dan moeten we ons wel degelijk zorgen maken.

Drs. M.F. Douma is bedrijfskundige en managing partner van De Familiebedrijven Adviesgroep te Amersfoort. Deze groep begeleidt familiebedrijven bij strategische- en opvolgingsvraagstukken binnen en buiten de familie.