Japanse schooljeugd gaat nadenken

Japanse schoolkinderen hoeven op zaterdag niet meer naar school. Dat past in het nieuwe curriculum dat Japanners `creatief' wil maken. Maar niet iedereen neemt zo gemakkelijk afstand van de feiten.

Met het begin van het nieuwe schooljaar deze week in Japan zullen scholieren komend weekeinde voor het eerst kunnen genieten van twee hele vrije dagen voor zichzelf. Maar Japanse ouders maken zich zorgen. `Zullen ze nog wel genoeg feiten leren om de toelatingsexamens voor vervolgopleidingen te halen', vragen ze zich af. `Zullen ze niet verpest raken door al te veel vrijheid?'

De vrije zaterdag is onderdeel van een nieuw curriculum op Japanse scholen dat zorg moet dragen voor onafhankelijkere kinderen, die meer creativiteit hebben dan voorgaande generaties. Kinderen ook die zich meer thuis zullen voelen op school. Japanse scholen stonden bekend als degelijke leerfabrieken, maar aan die tijd moet een einde komen.

Twee ontwikkelingen drijven deze veranderingen. Ondanks de leerplicht weigeren ruim honderdduizend kinderen van 12 tot 15 jaar de middenschool te bezoeken, 2,5 procent van het totaal in deze leeftijdsgroep. De afgelopen tien jaar is dit aantal verdubbeld. Ze zitten thuis of bezoeken opvangcentra die inmiddels voor hen zijn opgericht. Onder de kinderen die wel naar school komen hebben leraren steeds meer moeite met het bewaren van orde. Tien jaar economische teruggang en uiteenvallende gezinnen eisen hun tol.

Daarnaast vraagt het bedrijfsleven om mensen die ,,problemen kunnen oplossen'', zoals een rapport van de machtige zakenlobby Keidanren enige jaren geleden schreef. Het oude onderwijs leverde wel brave loonslaven die Japans industrialisering tot stand hebben gebracht, maar geen Bill Gates die nieuwe markten opende. Nu Japan al lang andere industrielanden voorbij is gestreefd en bedrijven hun lopende banden overplaatsen naar lage lonenland China, heeft het land behoefte aan creatieve geesten die niet begaande paden betreden.

Om dit te bereiken krijgen kinderen meer vrijheid en is het vak `Algemene Studie' ingevoerd. Dat vak levert vooral docenten vele hoofdbrekens op, want er bestaat van overheidswege geen enkel voorschrift over de lesinhoud. Leraren die hun hele leven gewend zijn geweest om door de overheid goedgekeurde boeken op te lepelen, moeten nu opeens hun leerlingen leiding geven in, tja in wat eigenlijk? Het ministerie van Onderwijs definieert het vak zelf als ,,probleemoplossing door te leren uit eigen ervaring, bijvoorbeeld onderzoek, experimenten of observeren van samenleving en natuur.''

Voor een leraar met ideeën levert dit geen probleem op. De publieke omroep toonde onlangs een documentaire over een docent met een voorliefde voor vissen, die zijn klas meenam naar een rivier (scholen konden al enkele jaren op vrijwillige basis beginnen met invoering van het vak). Hij liet de kinderen netten uitwerpen om te zien wat er zoal in de rivier leeft en bouwde aquaria in school om het leefgedrag van de vissen verder te observeren. Enthousiast vertelden de kinderen voor de camera's over de nieuw opgedane kennis.

Maar niet alle ouders zijn blij met dit soort onderwijs. Ook al willen moderne bedrijven als elektronicaconcern Sony creatieve geesten, als geheel is Japan nog altijd een confucianistische examensamenleving. Niet alleen om advocaat of topambtenaar te worden moet men een zwaar staatsexamen afleggen, zelfs om beleidsmedewerker van een parlementslid te kunnen worden moet men eerst een speciaal voor deze functie opgezet overheidsexamen afleggen. Ook het vak van journalist is in Japan geen roeping, maar een baan waarvoor kranten eenmaal per jaar via een schriftelijk examen uit de aanmeldingen selecteren. En voor al deze examens moet men simpelweg feiten kennen.

Zolang deze examencultuur niet verandert, lijken de enige winnaars in het onderwijs de privé- en avondscholen te zijn. Particuliere scholen zijn niet gebonden aan de vijfdaagse schoolweek en kunnen dus adverteren met `extra aandacht voor feiten stampen'. Avondscholen zijn al jaren een belangrijke onderwijssector in Japan omdat het openbaar onderwijs tot de leeftijd van 15 jaar geen onderscheid maakt in het niveau van leerlingen. Ouders die willen dat hun kinderen de toelatingsexamens voor prestigieuze universiteiten halen, sturen hun kroost al op jonge leeftijd naast de gewone school naar extra avondklassen om meer feiten te leren. Anderzijds is er een kleine groep ouders die hun kinderen liever naar een internationale school stuurt, gevolgd door een universiteit in het buitenland.

De overheid zelf lijkt ook nog niet geheel overtuigd van de te volgen weg. Sommige politici hebben kritiek op het curriculum omdat het tot verlaging van de feitenkennis van jongeren zou leiden. Ook geeft het ministerie zelf soms gemengde signalen. Het nieuwe lesprogramma moet tot meer onafhankelijk denken leiden, maar recentelijk heeft het ministerie ook scholen gedwongen tot het zingen van het volkslied en het hijsen van de nationale vlag op eindexamenuitreikingen. Scholen die gewend waren op deze dag leerlingen zelf activiteiten te laten organiseren, werden daarmee juist in een nationalistisch keurslijf gedwongen.

Een favoriete typering onder Japanners van hun eigen samenleving is `controle maatschappij', een verwijzing naar de overheid die eigen initiatief onder burgers wantrouwt. De neiging tot organisatie van boven af komt ook tot uiting nu kinderen extra vrije tijd krijgen op zaterdag. Op verschillende plaatsen in het land hebben lokale overheden zich gestort op het organiseren van `speelworkshops' of `buitenspeelprogramma's' om kinderen te `helpen' met het invullen van hun vrije tijd.