Jansons is traditioneel in Beethovens Vijfde

Mariss Jansons is in het Amsterdamse Concertgebouw zeer geliefd bij het publiek en bij het Concertgebouworkest, dat onder hem graag groots en meeslepend wil spelen. Velen zouden Jansons met vreugde zien als de volgende chef-dirigent, de opvolger van Riccardo Chailly.

Dat bleek ook weer toen hij gisteravond begon aan een serie optredens met het Concertgebouworkest, die hen ook nog naar Parijs voert. Na afloop was de stemming over het optreden van Jansons euforisch, zowel in de zaal als op het podium.

Jansons leidde dan ook een soort `hartenwens'-concert: de Vijfde symfonie van Beethoven en na de pauze vroeg 20ste eeuwse balletmuziek: El amor brujo van De Falla (Jansons' persoonlijke wens) en delen uit Daphnis et Chloé van Ravel. Op papier lijkt zo'n concert zowel te gevarieerd als te veel van hetzelfde, na de pauze dan. Een puur Beethovenconcert met de ouverture Egmont, de Derde symfonie `Eroica' en de Vijfde symfonie zou mijn hartewens zijn geweest. Maar dit exotischer programma is in de praktijk zeer aansprekend. De weelderige Ravel, gespeeld met veel glinstering en grandeur en spectaculair eindigend in briljant vuurwerk, zal Parijs zelfs binnen de concertzaal eer aandoen als lichtstad, en in verrukking brengen.

Ook de Spaanse kunst-zigeunermuziek van El amor brujo klonk even verleidelijk, sfeervol, enerverend en epaterend, al had ik in de fraai gezongen liederen van de in Buenos Aires geboren mezzosopraan Bernarda Fink wel een iets rauwer en expressiever flamenco-geluid verwacht. Jansons, afkomstig uit Letland en opgeleid in St. Petersburg, leek vooral de rituele vuurdans in deze muziek uit 1915-16 te zien in het verlengde van de Russische riten in Strawinsky's Le sacre du printemps, die zijn roerige première beleefde in 1913.

In Beethovens Vijfde symfonie bleek Jansons een echte traditionalist. Achter de Oostzee heeft men nog nooit gehoord van de authentieke richting in de muziek, weet men niets van kleine bezettingen en kent men geen eigenzinnige dirigenten als Harnoncourt, Brüggen, Gardiner en Norrington. Jansons laat de Vijfde weliswaar niet beginnen in noodlotssfeer – het beroemde klopmotief roept bij hem musici en publiek eerder nadrukkelijk bij de les – maar zijn interpretatie is voluit klassiek en had veertig jaar geleden vrijwel hetzelfde kunnen klinken.

Het orkest zit daar in forse omvang en produceert een stevige, volle klank. Maar binnen die nu veelal als `ouderwets' beschouwde opvattingen brengt Jansons bij het uitmuntend spelende Concertgebouworkest een uitvoering op het hoogste niveau. Vooral in de middendelen, het Andante con moto en het eerste Allegro, weet Jansons de dramatiek van sterk verstilde ijle blazerspassages tussen markante zware strijkerstutti hoogst aantrekkelijk en uiterst effectief te presenteren. Die blazers hadden een hele leuke avond, maar dat gold voor iedereen in het Concertgebouw.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons m.m.v. Bernarda Fink, mezzosopraan. Werken van Beethoven, Ravel en De Falla. Gehoord: 10/4 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 11/4, aldaar. Radio 4: 14/4, 14 uur (opn. 11/4).