`Er is maar één waarheid: die van 11 juli 1995'

Bitterheid overheerst bij de overlevenden van Srebrenica die met het IKV bij de NIOD-presentatie wegliepen. Het rapport vertelt niet hún waarheid. Vanmiddag zouden ze er met NIOD-directeur Blom over praten.

Erg boos is Hasja Selimovic (52) over het Srebrenica-rapport. Zo boos, dat het moeilijk is erover te praten, zegt zij. Ze zit aan tafel in het kantoor van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) in Den Haag. Ze is lid van de vereniging Vrouwen van Srebrenica en een van vijf leden van de `delegatie van overlevenden' die het IKV naar Nederland heeft gehaald om de presentatie van het NIOD-rapport bij te wonen. Toen NIOD-directeur Blom gisteren sprak, liepen zij weg.

Dan begint Selimovic haar verhaal weer van voren af aan, bij die ene dag in juli 1995 bij Srebrenica. Hoe Nederlandse militairen op de Dutchbat-compound, waar zij met haar man en haar vijftienjarige zoon zat, hen naar de bussen stuurden, ,,om naar Tuzla te gaan'. Hoe zij, eenmaal buiten de compound, direct stuitten op de Bosnisch-Servische generaal Mladic, in persoon. Hij stapte uit een zwarte auto, ,,in gezelschap van drie ongewapende Nederlanders'. Toen was het dat Selimovic werd gescheiden van haar man en zoon. De Nederlandse militairen keken toe, deden niets. Onderweg naar Tuzla passeerde haar bus een groep Bosnische mannen met de loop van een Servische tank op hen gericht. ,,Dit is de laatste keer dat u hen ziet', zei een Serviër. Twee maanden geleden is het lichaam van haar zoon teruggevonden. Zonder hoofd.

Wat had Selimovic verwacht van het Nederlandse rapport? ,,Vandaag hadden de schuldigen aangewezen moeten worden', roept zij uit. Dáár komt haar woede vandaan: het NIOD-rapport mag duizenden bladzijden beslaan, wie er schuldig waren, dat staat er in de ogen van Selimovic en de andere IKV-genodigden niet in. Voor hen is er maar één waarheid en dat is die van 11 juli 1995. Dutchbat was in Srebrenica om de Bosniërs te beschermen en heeft dat op het beslissende moment niet gedaan.

Het is nog erger, spuwt Hasan Nuhanovic (34). Destijds was hij tolk van Dutchbat, nu meldt hij zich overal als fel vertolker van het onrecht dat de Bosniërs van Srebrenica voelen. Dit rapport, waarin hij de ,,hand van de regering' ziet, is er om het Nederlandse volk ,,gerust te stellen' met een acceptabele versie van het drama, denkt Nuhanovic. Hij ontkent dat de onderzoekers de afgelopen jaren met hem hebben gesproken, ook al zegt directeur Blom dat hij dan een ,,black-out' moet hebben gehad. Volgens Blom is zeven keer met hem gesproken en heeft hij zelfs een computer van het NIOD gekregen om zijn verhaal te doen.

Nuhanovic wijst de ,,onjuistheden' aan die hij in het rapport ziet. De duizenden Bosniërs die de compound op wilden zijn geweigerd uit vrees voor een humanitaire catastrofe: gebrek aan eten, drinken en hygiëne. Maar is dat de humanitaire catastrofe, vraagt hij, als mensen je smeken om veiligheid, om hun leven te redden?

Nuhanovic vindt dat de moord op de mannen ,,minder erg gemaakt' wordt door hen militairen te noemen. Daarover botste de delegatie al met het NIOD vóór de presentatie, toen de aanwezige ,,dame uit Novi Sad, Servië' van het NIOD haar uitleg daarover begon met ,,waarschijnlijk, misschien'. Ze zijn meteen weggelopen, zegt Nuhanovic. ,,Als je na bijna zes jaar niet verder komt...'

De teleurstelling is des te groter omdat hun verwachtingen van het rapport zo hoog waren, geeft Hajra Catic (58) toe. Zij raakte haar man en haar zoon kwijt, net als Munira Subasic (54), die gedurende haar twee weken in Nederland voortdurend vette pakjes koffiemelk leegdrinkt. Wat zij hadden verwacht, zegt Catic, is vooral ,,meer informatie te krijgen over de mannen die de enclave moesten verdedigen en ons beschermen.' Nuhanovic wil meer: hij hoopte dat na dit rapport Dutchbat-commandant Karremans en zijn plaatsvervanger Franken konden worden aangeklaagd bij het Joegoslavië-tribunaal. Die aanklacht zit er nu niet meer in, grijnst hij. Integendeel, het NIOD-rapport is volgens hem een wapen geworden in handen van de Servische ex-leiders Milosevic en Karadzic, beiden door het Joegoslavië-tribunaal aangeklaagd voor `Srebrenica'.