Broomproducent voelt zich door Pronk benadeeld

Mag de productie worden verboden van een stof waarvan de schadelijkheid voor mens en milieu niet onomstotelijk bewezen is? Daarover buigt zich de rechter.

Voor het Paleis van Justitie in Den Haag stond gisteren een eenzame betoger met leuzen te wapperen naar automobilisten. `Pronk blijf van onze boterham af' was de boodschap van Willem Hanegraaf, operator bij Broomchemie in Terneuzen. Binnen diende een kort geding dat het bedrijf had aangespannen tegen de Staat der Nederlanden.

Minister Pronk (VROM) heeft onlangs een verbod uitgevaardigd op het produceren van een nieuw type broomhoudende brandvertrager, FR-720. Deze giftige stof wordt gebruikt in onder meer wasemkappen en waterafvoerbuizen. Pronk vermoedt dat de stof schadelijk is voor mens en milieu. Er is weinig wetenschappelijk onderzoek naar verricht, maar resten van andere giftige brandvertragers zijn teruggevonden in mens en dier. Pas als de broomindustrie kan bewijzen dat deze nieuwe brandvertrager níet schadelijk is voor het milieu, wil Pronk het verbod weer intrekken.

Greenpeace staat vierkant achter het verbod. Voorkomen is beter dan genezen, stelt de organisatie die zich gisteren als ideëel belanghebbende bij het geding had gevoegd; het is beter een nieuw product te verbieden dan pas maatregelen te nemen als het eigenlijk al te laat is, zoals met sigaretten of asbest is gebeurd. De schade aan mens en milieu is vooral groot, stelt Greenpeace, doordat de giftige stof niet afbreekbaar is en zich jarenlang ophoopt in dierlijk en menselijk vet.

Broomchemie voelt zich slachtoffer van een slecht beargumenteerd verbod, zelfs van solistisch optreden binnen de Europese Unie. De Europese Commissie en een aantal lidstaten menen dat een verbod alleen kan worden uitgevaardigd als er voldoende wetenschappelijk bewijs ligt over de schadelijkheid van de stof. Dat bewijs is er niet. De Europese Commissie overweegt Nederland voor de rechter te dagen in een zogenoemde inbreukprocedure. Een besluit daarover wordt over een maand verwacht. De brandvertrager wordt verboden, klaagt Broomchemie verder, op grond van een vergelijking met een andere brandvertrager, TBBPA, die gevaarlijk zou zijn. Maar TBBPA is juist wereldwijd verhandelbaar en helemaal niet verboden. De vergelijking gaat dus niet op. En als Pronk deze andere brandvertrager TBBPA werkelijk zo gevaarlijk vindt, waarom verbiedt hij die dan niet?

De positie van Broomchemie is er inmiddels niet sterker op geworden. Het bedrijf moet zich verweren tegen de stelling van Pronk en Greenpeace dat er geen sprake is van strijdigheid met Europese handelsregels, omdat daarop uitzonderingen mogelijk zijn als het gaat om gezondheid en milieu. Ook zou uit de parlementaire geschiedenis van de Wet milieugevaarlijke stoffen blijken dat er wel degelijk een `zorgplicht' bestaat voor de producent om te bewijzen dat zijn nieuwe product geen schade aan het milieu toebrengt. Maar bovendien is het bedrijf eerder aangevraagde vergunningen kwijt. De Raad van State bepaalde deze week dat staatssecretaris De Vries (Verkeer en Waterstaat) en Gedeputeerde Staten van Zeeland ten onrechte vergunningen hebben verleend aan Broomchemie voor de productie van FR-720. Deze vergunningen staan los van een algeheel verbod op de productie van broomhoudende brandvertragers, maar het effect is toch dat er voorlopig van productie niets terechtkomt. Volgens de Raad is ,,onbetwist dat aan verspreiding van deze stof milieuhygiënische bezwaren zijn verbonden''. Voor het verlenen van een vergunning hadden rijk en provincie dan ook ,,nader onderzoek'' moeten plegen naar de risico's en gevolgen van productie van deze vlamvertrager. De vergunningen zijn voorlopig geschorst. Uitspraak vrijdag 19 april.