Zangeres van het heldere midden

Conny Vandenbos, die zondag op 65-jarige leeftijd aan kanker is overleden, was bovenal een succesvol propagandiste van het Nederlandse lied. Met haar liedjes, van Ik ben gelukkig zonder jou tot Roosje, m'n roosje, bewees ze dat er tussen de volkse meezingers, de Nederlandstalige pop en het kleinkunstrepertoire nog een respectabel middengebied kon bestaan – populair en laagdrempelig, maar toch niet gespeend van oorspronkelijkheid en artisticiteit. Haar plotselinge dood is pas vandaag bekend geworden; vanochtend is ze in kleine kring begraven.

Conny Vandenbos begon haar carrière als Conny van den Bos(ch) en maakte daar later een gestroomlijnde versie van, maar heette eigenlijk Conny Hollestelle. Na ballet-, zang- en spraaklessen maakte ze in 1961 haar radiodebuut in het KRO-programma De springplank, dat jonge talenten ontdekte. In datzelfde jaar maakte ze deel uit van de Nederlandse ploeg op het songfestival van Knokke, waar ze uiting gaf aan haar bewondering voor Edith Piaf. Die eerste jaren zong ze vooral Frans en Engels, maar sinds ze in 1964 twee vertalingen van Ernst van Altena in handen kreeg (Raak me niet aan en Laat me alleen), werd de Nederlandse taal haar exclusieve werkterrein. En een jaar later volgde het Eurovisie Songfestival, waar haar vurige `t Is genoeg op de elfde plaats eindigde.

Haar eerste grote hit kwam in 1966: Ik ben gelukkig zonder jou, op tekst van Hanny Meyler en muziek van Peter Koelewijn. Dr. Maaike Meijer noemde dit nummer in haar inaugurele rede als bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Maastricht een goed voorbeeld van de voorhoederol die de lichte muziek destijds speelde in de tweede feministische golf in Nederland. Het bijtende triomfgevoel sprak boekdelen:

,,Het is nu eindelijk een feit/

ik ben je kwijt, ik ben je kwijt/

je knoeit de as van je sigaar/

voortaan verder maar bij haar...''

Maar de zangeres vertelde later dat haar publiek wel een beetje beduusd op het nummer reageerde; het was een heel verschil met het klaaglijke liefdesverdriet dat door de meeste andere zangeressen werd vertolkt.

Conny Vandenbos koos vaak melodieën van buitenlandse grootheden als Janis Ian, Kenny Rogers, Udo Jürgens en Jacques Brel, waarbij Nederlandse teksten werden geschreven door Gerrit den Braber, Herman Pieter de Boer, Peter Koelewijn en andere routiniers van `het betere Nederlandse lied'. Door haar verzorgde dictie en haar muzikaliteit klonken nummers als Roosje, m'n roosje en Sjakie van de hoek alsof ze nooit anders dan Nederlands waren geweest.

In de jaren tachtig, na haar grote plaatsuccessen, toonde Conny Vandenbos in twee rollen bij het Amsterdams Volkstoneel, dat ze ook musicaltalent had. Maar haar tweede carrière maakte ze als de gezellig babbelende presentatrice van dagelijkse uitzendingen bij Radio Utrecht, Radio Noordzee en Radio West. Pas vanaf 2000 begon ze weer serieus werk van het zingen te maken, met een liedjesprogramma in het theatercircuit en zondagochtendconcerten in De Doelen in Rotterdam. Eind vorig jaar vierde ze haar 40-jarig artiestenjubileum met de cd Ik zou het weer zo doen, die mede bedoeld was als comeback: drie nieuwe nummers en 37 successen van vroeger. Zo ver is het echter niet meer gekomen; kortgeleden werd geconstateerd dat ze kanker had.

Conny Vandenbos laat, hoe dan ook, een imposant platen-oeuvre na, waarmee ze het Nederlandse lied een grote dienst heeft bewezen.

Het tv-programma `Voor alle fans' is vanavond gewijd aan Conny Vandenbos (Ned.2, 19.55-20.20u).