Wereldoorlog in Afrika vergt ruim twee miljoen doden

De voormalige Amerikaanse topdiplomaat Richard Holbrooke omschreef de oorlog in Congo als ,,de eerste wereldoorlog die wordt uigevochten op Afrikaanse bodem''. Bij het conflict zijn ten minste zes landen betrokken, vier rebellengroepen, tientallen milities. De oorlog heeft de afgelopen vijf jaar meer dan twee miljoen doden gevergd, door geweld, honger en ziekte. Zeker twee miljoen mensen zijn uit hun huizen verjaagd.

De strijd begon in 1997 toen rebellenleider Laurent Kabila de Congolese dictator Mobutu verdreef met hulp van Rwanda en Oeganda. Een jaar later keerden die buurlanden zich tegen Kabila. Ze steunden de rebellenorganisaties RCD en MLC. Kabila kon die aanval alleen weerstaan omdat hij bijstand kreeg van Zimbabwe, Angola en Namibië. Sindsdien is het land de facto in tweeën gedeeld. Rwanda, Oeganda en rebellen heersen in het noorden en oosten.

In juli 1999 tekenden de partijen een vredesakkoord in de Zambiaanse hoofdstad Lusaka maar van de uitvoering kwam weinig terecht. Alleen Namibië trok zijn troepen terug. De rebellenorganisatie RCD viel in drie facties uiteen. Ook Rwanda en Oeganda kregen onderling ruzie. Het vredesproces kwam pas weer op gang toen Laurent Kabila begin vorig jaar werd vermoord en zoon Joseph Kabila het presidentschap overnam.

Grootste struikelblokken bij de inter-Congolese dialoog, het overleg tussen de Congolse partijen over Congo na de oorlog, zijn de staatsinrichting en het leger. De regering is bereid om de rebellen op te nemen in een overgangsregering, vooruitlopend op verkiezingen. Maar ze houdt vast aan Joseph Kabila als president, terwwijl de rebellen willen dat hij opstapt. Ook over samenstelling en bevoegdheden van het parlement bestaat grote verdeeldheid, net zoals over de opzet van het leger. De regering is bereid om een deel van de rebellen op te nemen in de strijdkrachten. Maar de rebellen eisen dat er een volledig nieuw leger wordt gevormd.

Kosten van het overleg in Sun City worden geraamd op vijf miljoen dollar waarvan de Europese Unie het leeuwendeel betaalt.