Weinig invloed Den Haag op gebeurtenissen in Srebrenica

Pas na de aanval op de enclave werd Srebrenica echt onderwerp van gesprek in het kabinet. Het NIOD zag geen spoor van regie door premier Kok.

Tot aan de val van de enclave hebben premier Kok en de andere leden van het kabinet het probleem `Srebrenica' vrijwel uitsluitend aan minister van Defensie Voorhoeve overgelaten, hoewel deze al in de zomer van 1994 wist dat er sprake was van een ,,onuitvoerbare opdracht''.

,,Weliswaar was er sprake van overleg met betrokken bewindslieden, militairen en ambtenaren in het `Torentje' van de premier en was er uitgebreid contact tussen de departementen van Defensie en Buitenlandse zaken'', schrijft het NIOD. ,,Maar die contacten hadden vooral plaats nadat (cursivering in rapport, red.) de Bosnische Serven de aanval op Srebrenica hadden ingezet''. (p. 2409)

Premier Kok zette ,,evenmin als zijn voorganger Lubbers zwaar in op zijn regiefunctie'' ten aanzien van Srebrenica, ook niet toen het in de enclave in juli 1995 definitief misging. (p.3141)

Deze onwil bij leden van het kabinet om zich met de werkelijkheid in de enclave bezig te houden, staat in schril contrast met de sfeer waarin de Haagse politiek tot de uitzending had besloten: ,,Humanitaire bewogenheid, tezamen met de ambitie onze geloofwaardigheid en aanzien in de wereld te dienen''. In deze sfeer waren de Nederlanders uitgestuurd ,,zonder dat de verregaande consequenties vooraf terdege waren geanalyseerd''.

Uitgebreid overleg tussen Kok en minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo over Srebrenica kwam pas op gang nadat de Serviërs de aanval op de enclave hadden ingezet, vanaf 6 juli. Maar ook toen heeft Van Mierlo geen initiatieven genomen om via diplomatieke kanalen te proberen de situatie in de enclave te verbeteren, bijvoorbeeld door via andere hoofdsteden, of Belgrado, druk uit te oefenen op de Bosnische Serviërs, of later bij te dragen aan een regeling voor de aftocht van Dutchbat en vluchtelingen.

De notulen van de ministerraad van 11 juli en de dagen daarna bieden geen aanwijzingen voor een hoogoplopend meningsverschil binnen het kabinet over de vraag of de veilige aftocht van de Nederlandse militairen, danwel de bescherming van de bevolking voorop moest staan. Er zijn binnen het kabinet wel argumenten en standpunten over deze vragen gewisseld, maar die lagen meer in de sfeer van alternatieven en opties.

Spanningen tussen de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken ontstonden op ambtelijk niveau pas in de nasleep van de val, door tegengestelde departementale belangen. Buitenlandse Zaken was aanvankelijk zeer verheugd over de internationale waardering voor het optreden van de Nederlandse troepen en zag die indruk ongaarne verstoord. Defensie was steeds beducht voor publiciteit die de veiligheid van achtergebleven Nederlandse manschappen zou kunnen deren, bijvoorbeeld toen minister Pronk, op 17 juli, op bezoek in Bosnië het woord `genocide' in de mond nam.

Hoe dan ook hebben Haagse discussies weinig invloed gehad op de situatie te velde. Minister Voorhoeve liet namelijk de militaire besluitvorming grotendeels over aan de commandolijn van de Verenigde Naties (Dutchbat - Sarajevo - Zagreb - New York).

De grote uitzondering daarop was het gebeuren op 11 juli, toen Voorhoeve in eigen persoon telefoneerde met de speciale VN-afgezant Akashi, de Navo en de luchtmachtbasis in Vicenza om een luchtaanval op Servische stellingen bij Srebrenica te verhinderen. De minister vreesde acute represailles op Nederlandse troepen en vluchtelingen op de compound in Potocari.

Achteraf blijkt dat Akashi deze luchtaanval zelf reeds had afbesteld, omdat hij hem gevaarlijk achtte. De VN-afgezant heeft alleen later voor zijn beslissing het verzoek van Voorhoeve als rechtvaardiging aangevoerd.

De gesprekken in het kabinet na de val van de enclave hebben ook geen enkele invloed gehad op onderhandelingen tussen Dutchbat en de Servische veroveraars ter plaatse over de voorwaarden voor de aftocht van de Nederlandse militairen, en de vraag hoe deze zich moest verhouden tot de bescherming van de vluchtelingen in de safe haven.

Dit overleg is uitsluitend door de overste Karremans en de Servische commandant Mladic gevoerd. Op 15 juli kwam er een definitieve afspraak over, door ingrijpen van de VN in New York, die daarvoor tot in Belgrado de hoogste politieke niveaus inschakelden.

Het NIOD heeft zich overigens onthouden van een samenvattend betoog over de Nederlandse politieke verantwoordelijkheden bij de val van Srebrenica, en met oordelen van politieke aard grote terughoudendheid betracht. ,,De vraag naar de politieke gevolgtrekkingen uit het onderzoek dient in de politieke arena en het publieke debat te worden beantwoord'', aldus het rapport (p.30).