Top landmacht hield feiten Srebrenica achter

De top van de Koninklijke Landmacht heeft informatie achtergehouden over de val van Srebrenica. Dat is een van de conclusies van het rapport Srebrenica, een `veilig' gebied, dat het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) vandaag heeft aangeboden aan minister Hermans (Onderwijs).

Volgens het NIOD heeft de landmachttop bij onderzoek achteraf naar de toedracht van `Srebrenica' ,,een welbewuste poging'' gedaan ,,de informatiestroom beperkt te houden en waar mogelijk onwelgevallige onderwerpen uit de weg te gaan''.

Tot aan de val van de enclave hebben premier Kok en de andere leden van het kabinet het probleem `Srebrenica' vrijwel uitsluitend aan minister van Defensie Voorhoeve overgelaten, hoewel deze al in de zomer van 1994 tot de conclusie was gekomen dat er sprake was van een ,,onuitvoerbare opdracht'' voor de Nederlandse troepen. Premier Kok voerde volgens het NIOD geen regie.

Het NIOD legt het `zwaartepunt' voor de verantwoordelijkheid van de massamoord bij de militaire leiding van de Bosnische Serviërs. De centrale rol van generaal Ratko Mladic is ,,onmiskenbaar'' en ,,niet aan twijfel onderhevig''. De aanval van het Bosnisch-Servische leger op Srebrenica, begin juli 1995, kwam voor alle andere betrokken partijen ,,volkomen onverwacht. Ook de inlichtingendiensten hadden er geen enkele informatie over verworven'', aldus het NIOD. ,,De val van Srebrenica was daardoor mede een falen van de militaire intelligence'', hetgeen Nederland, door het afwijzen van een Amerikaans aanbod tot samenwerking op dit gebied, kan worden verweten.

Dutchbat had vanuit militair perspectief weinig reden op eigen intitiatief een tegenaanval in te zetten, aldus het NIOD. Het NIOD stelt dat het Nederlandse bataljon, de zware omstandigheden in aanmerking genomen, niet heeft ,,gedisfunctioneerd''.

Het NIOD velt een hard oordeel over het onderzoek van toenmalig commissaris van de koningin Van Kemenade, die in 1998 concludeerde dat er geen sprake is geweest van een `doofpot' bij Defensie. Volgens het NIOD stond zijn onderzoek ,,niet in de eerste plaats in dienst van zogenoemde waarheidsvinding'', maar was het rapport een antwoord op ,,een politiek-bestuurlijk probleem dat om een oplossing vroeg.'' Volgens het NIOD hadden aanwijzingen over het achterhouden van informatie bij Van Kemenade ,,tenminste tot een grotere argwaan kunnen leiden jegens zijn vroege conclusie dat er geen doofpot was''. Volgens het rapport vond toenmalig bevelhebber van de landmacht Hans Couzy dat het zogenaamde `debriefingsonderzoek' na de val van de enclave in juli 1995 een ,,militair-operationele aangelegenheid'' was. Daar waar minister van Defensie Voorhoeve een ,,breed allesomvattend onderzoek'' wilde, had de Koninklijke Landmacht ,,andere prioriteiten, zoals bescherming van het imago van Dutchbat en van de landmacht.'' Daardoor ,,werd de minister laat, dikwijls inadequaat of een enkele keer zelfs helemaal niet geïnformeerd.'' Door de grote haast en gebrek aan organisatie kon de landmacht de debriefing ,,naar zich toe trekken'', waardoor gekozen werd ,,voor een `smalle aanpak' als dat kon.''

Het NIOD heeft in totaal vijfenhalf jaar studie verricht naar de gang van zaken rond de val van de voormalige moslimenclave in de zomer van 1995. Naar schatting 7.400 moslims zijn vermist sinds Bosnische Serviërs de door het Nederlandse bataljon Dutchbat beschermde Srebrenica hebben veroverd in juli 1995.

Naar verwachting debatteert de Tweede Kamer over twee weken over het rapport.