Sharon en zijn vriend

Tot hij vorige week Ariel Sharon de opdracht gaf, zijn actie te staken en de troepen terug te trekken, heeft president Bush hem in het openbaar alle morele steun gegeven. Kort daarvoor was vice-president Cheney bij Sharon op bezoek geweest. De verhouding was hartelijk en vertrouwelijk. Aan solidariteit was geen gebrek. Daarom is het redelijk te veronderstellen dat de Amerikaanse regering althans in grote trekken op de hoogte was van de grote operatie tegen de Palestijnen. Sharon wilde het op zijn manier en met andere middelen even grondig aanpakken als de Amerikanen in Afghanistan. Als Washington voorkennis heeft gehad, deelt het mee in de verantwoordelijkheid.

Verplaatsen we ons in de positie van Sharon, dan kunnen we ons indenken dat hij ontgoocheld en woedend is, over wat hij als niets anders dan een staaltje van opportunistische misleiding kan zien. Of veronderstelt hij dat Bush zijn bevel heeft gegeven uit andere politieke overwegingen: om zich alleen voor het front van de publieke opinie te distantiëren? Gelooft Sharon dat het niet werkelijk gemeend is, zodat hij, na deze manoeuvre met een kleine terugtrekkende beweging te hebben beantwoord, de grote operatie kan voortzetten? Dat zou de Amerikaanse medeverantwoordelijkheid nog groter maken.

Alle verschillen buiten beschouwing gelaten (in het bijzonder het grootste: dat Israël niet `de zee in' wordt gedreven) doet de strijd in dit stadium steeds meer denken aan de laatste fase van koloniale conflicten, een halve eeuw geleden. De kolonisator bestrijdt de terreur, en heeft daarin een moreel gelijk omdat terreur een afzichtelijk middel is. De bewijzen daarvan stuurt hij de wereld in. Bij de oorlog in Algerije, dat door de Fransen niet als kolonie maar als provincie werd beschouwd, heeft de Franse regering boekjes met foto's verspreid die in gruwelijkheid alles overtreffen wat ik op dit gebied gezien heb. De bewijzen dat de Franse para's zich ook niet onbetuigd lieten, kwamen van de andere kant. Maar het Algérie française was politiek onhoudbaar geworden. Het vroeg een man van het formaat van Charles de Gaulle om dit de natie duidelijk te maken, en zelfs toen is het nog bijna tot een staatsgreep in Parijs gekomen.

Een vergissing in de periode van dekolonisatie was, dat een moreel gelijk bij de bestrijding van terreur congruent werd geacht met het politiek gelijk van de kolonisator, of sterker, dat, volgens zijn opvatting, het moreel gelijk het politieke op een hoger plan bracht. Zo ontstond de vicieuze cirkel. En nu is door de terreur en deze oorlog het conflict tussen Israël en Palestina verder in deze uitzichtloze dialectiek van moraal en politiek geraakt. Het is, objectief bekeken, erger. Want dit is allang geen regionale oorlog meer maar iedere dag meer een wereldconflict.

Voor het westen is het saldo op het ogenblik uitsluitend nadelig. Het prestige van de Amerikaanse president is afbreuk gedaan, bij vriend en vijand. Minister Powell, die in Washington niet tot de haviken hoort, is op reis gestuurd om de schade te beperken. Om te beginnen laat de koning van Marokko (vriend van Amerika) hem twee uur wachten en vraagt dan waarom hij niet meteen naar Jeruzalem is gegaan. Daar zit Sharon, die meldt dat de veldtocht pas is afgelopen als hij het teken heeft gegeven. Dit, schrijft The New York Times, is een belediging van de president en de Verenigde Staten. Daar is blijkbaar niets aan te doen.

Onlangs ging vice-president Cheney op reis door het Midden Oosten, om de coalitie te versterken ter voorbereiding van de definitieve aanval op Saddam. De reis mislukte. Geen van Amerika's Arabische bondgenoten wilde toen zo'n onderneming (en de meeste Europese trouwens ook niet). Terwijl de veldtocht van Sharon vordert, gaan in de Arabische hoofdsteden de massa's, al dan niet geregisseerd, de straat op. Het wordt nog duidelijker dat op deze manier niets van de afrekening met de hoofdman van de As van het Kwaad zal komen. Saddam zelf doet er een schepje bovenop: hij sluit voor een maand de oliekraan. Voorlopig lijkt hij van al die dreiging alleen sterker te worden.

En dan het vraagstuk waarmee alles is begonnen. Gesteld dat Sharon zijn doel zou bereiken, de vernietiging van de terroristische infrastructuur, hoe treffen we dan daarna Palestina aan? Als een hulpeloos, half verwoest, tweederangs land met een vernederde en verbitterde bevolking. Komt daar iets van een wederopbouw terecht, een herstel van waardigheid, in een of andere vorm? Of bereidt men zich daar voor op de volgende ronde? Het laatste is waarschijnlijker.

Het Midden-Oosten hoort tot de gevaarlijkste vraagstukken van de wereldpolitiek. Voorlopig zal dat zo blijven. Amerika, de enige wereldmacht heeft dat erkend. Maar met de buitenlandse politiek die deze regering voert, naderen we het tegendeel van het beoogde. Hoe komt dat? Door een zeer ongelukkige combinatie van premissen en het lot. De premissen waren er al. Bush is zijn presidentiële loopbaan begonnen met het uitvoeren van wat hij als kandidaat beloofd had. Hij heeft consequent de `hypermacht' van de internationale gemeenschap afgekeerd en daarbij gestreefd naar totale onkwetsbaarheid. Oude bondgenootschappen, continuïteit van de buitenlandse politiek, diplomatie, dat alles verdween naar de achtergrond. Het werd vervangen door een moralistisch gekleurd unilateralisme.

Toen kwam het lot: de elfde september. In Europa wordt niet voldoende beseft hoe zwaar die aanval de Amerikanen heeft geraakt. Na een paar maanden werd duidelijk hoe deze regering daarop reageerde: met behoud van de premissen en versterking van dit unilateralisme. Het mislukt. De rest van de wereld bestaat niet uit ondergeschikten. Ook de hypermacht heeft bondgenoten nodig. Dat is nu te zien in het Midden-Oosten waar minister Powell het puin gaat ruimen, glimlachend gadegeslagen door Saddam en, wie weet, Osama bin Laden.