NIOD kreeg ruim baan, behalve van Defensie

De NIOD-onderzoekers bezochten de afgelopen vijfenhalf jaar talloze archieven en betrokkenen, maar ze hebben niet álle documenten kunnen zien.

Elf onderzoekers, ruim 900 geïnterviewden, honderden geraadpleegde archiefcollecties, duizenden boeken en krantenartikelen, vijfenhalf jaar werk – dit alles heeft geleid tot het rapport Srebrenica, een `veilig' gebied. Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een Safe Area.

H. Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en een van de twee `eindverantwoordelijken' voor het rapport, presenteerde vanmiddag de zeven delen, in totaal 4.451 pagina's, plus een cd-rom met nog verschillende bijlagen in woord en beeld. Vanaf vandaag is het volledige rapport te koop voor 225 euro. Het ook afzonderlijk te verkrijgen hoofdrapport beslaat bijna 3.400 pagina's in drie banden en kost 89 euro.

In een proloog leggen de onderzoekers verantwoording af voor het werk dat zij verrichtten sinds zij in november 1996 van het kabinet-Kok I de opdracht kregen ,,vanuit historisch perspectief in zowel nationale als internationale context inzicht [te verschaffen] in de oorzaken en gebeurtenissen die hebben geleid tot de val van Srebrenica en tot de dramatische ontwikkelingen die daarop zijn gevolgd'.

Oorspronkelijk trokken Blom en mede-`eindverantwoordelijke' P. Romijn, drie ervaren historici aan: de Leidse hoogleraar Kersten, gespecialiseerd in de geschiedenis der internationale betrekkingen, journalist en mediahistoricus Koedijk en de militair historicus Schoonoord. In 1999 werden de slaviste Bajalica, de Utrechtse historicus De Graaff en de politicoloog Wiebes aan het team toegevoegd. In 2000 werden ten slotte nog de onderzoekers Van Uye en Duijzings aangesteld. Tezamen onderwierpen zij de ,,overvloed' aan bronnen aan hun onderzoek, zoals in de proloog staat.

De onderzoekers prijzen de ruime toegang tot Nederlandse overheidsinstanties, al maken zij een kanttekening bij de slechte staat van sommige archieven. De enige tegenwerking die zij in eigen land ervoeren kwam van het ministerie van Defensie.

De verklaringen die ex-Dutchbat-militairen najaar 1995 aflegden in Assen, de zogenaamde debriefing, waren destijds afgenomen op voorwaarde van ,,volstrekte vertrouwelijkheid'. Het NIOD legde zich erbij neer dat ,,deze op zichzelf belangwekkende verklaringen niet zonder meer geraadpleegd konden worden'. Later bleek dat het Joegoslavië-tribunaal wel ,,kopieën van alle volledige verklaringen' bezat. Het NIOD heeft daarop Defensie gevraagd deze verklaringen alsnog te mogen ontvangen, maar het ministerie wees dit af. ,,Het is de vraag', staat in de proloog, ,,of dit wel in overeenstemming is met de belofte van het kabinet om alles te doen wat mogelijk was om de onderzoekers toegang tot de bronnen te verlenen'. En men voegt er in een noot aan toe dat deze twijfel werd ,,versterkt doordat kwam vast te staan dat ambtenaren ten departemente (van Defensie, red.) kennelijk de debriefingsverklaringen hebben geraadpleegd, zonder toestemming van de betrokkenen'.

Overigens hebben de onderzoekers, met hulp van de Landmacht, de militairen zelf benaderd en, voorzover ze wilden, hen om hun debriefingsverklaring gevraagd. De meeste wilden die wel geven, een enkeling liet zich in plaats daarvan interviewen. Met Dutchbat-bevelhebber Karremans spraken de onderzoekers liefst tien verschillende dagen, met diens plaatsvervanger Franken twee dagen en met generaal Couzy vijf. Ook spraken zij met prins Willem-Alexander.

In het buitenland hebben de onderzoekers het moeilijker gehad. Met name de Franse regering was ,,nauwelijks tot medewerking bereid'. Ook de Fransen onder de `hoofdrolspelers', de generaals Janvier, Morillon en De Lapresle, lieten zich niet ondervragen door de NIOD-onderzoekers. De Bosnisch-Servische hoofdverantwoordelijken Mladic en Karadzic werden via via benaderd, maar de verzoeken aan hen werden niet beantwoord.

Ondanks deze tegenvallers ,,bood de bronnensituatie een ruim voldoende basis voor het onderzoek en een verantwoord rapport', zo staat in de proloog. Dat rapport ligt er nu, later dan oorspronkelijk aangekondigd.

In september vorig jaar deelde NIOD-directeur Blom het kabinet mee dat het rapport niet in november 2001, maar april 2002 gereed zou zijn. In de proloog wordt daarover opgemerkt dat die extra tijd nodig was om recentelijk beschikbaar gekomen materiaal te onderzoeken en om te kunnen voldoen ,,aan de professionele eisen van het vak'.

Gerectificeerd

NIOD-onderzoekers

De opsomming van onderzoekers in het artikel NIOD kreeg ruim baan, behalve van Defensie (10 april, pagina 2) ontbeert de naam van T. Frankfort. De contemporain historica werd in 1997 assistent bij de onderzoeksgroep. Ze is daar later ,,in overeenstemming met haar feitelijke werkzaamheden' als onderzoeker aan toegevoegd.