Dutchbat was niet voor deze taak berekend

Tekst van de rede die de directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), prof. dr. J.C.H. Blom, vanmorgen uitsprak bij de presentatie van het Srebrenica-rapport.

Dames en Heren,

Tenminste zeven-en-een-half duizend vermiste Bosnische moslims, vrijwel zeker allen omgekomen. Omstreeks zesduizend van hen afgeslacht bij massaexecuties. Het is de trieste balans van de gebeurtenissen die in juli 1995 volgden op de verovering van de in 1993 door de Verenigde Naties uitgeroepen Safe Area Srebrenica door het Bosnisch-Servische leger. Vanaf het moment dat deze gruwelijkheden tot de buitenwereld doordrongen hebben zij diepe emoties opgeroepen.

Ten tijde van de val van Srebrenica waren daar in het kader van de VN-vredesmacht UNPROFOR Nederlandse troepen (Dutchbat) gelegerd. Daarom liep het debat juist ook in Nederland hoog op en kreeg het een zware lading. Tal van onzekerheden over wat er precies gebeurd was, speelden daarbij een grote rol.

Tegen die achtergrond verzocht het Nederlandse kabinet in 1996 het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie een onafhankelijk historisch-wetenschappelijk onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen voor, tijdens en na de val van de enclave. Het toenmalige bestuur en directie van het instituut hebben het als een maatschappelijk plicht beschouwd op dat verzoek in te gaan, hoe moeilijk die taak ook was.

Tegen de achtergrond van de aard en omvang van de problemen bij een onderzoek als dit, is het opmerkelijk hoeveel bronnen niettemin aangeboord konden worden. Dankzij de medewerking van vooral de Nederlandse overheid en de Verenigde Naties konden door onderzoek in archieven en particuliere collecties in binnen- en buitenland vele tienduizenden normaal gesproken nog ontoegankelijke documenten worden geraadpleegd. Meer dan 900 personen van zeer uiteenlopende achtergrond en herkomst waren bereid tot een interview.

Het onderzoek heeft lang geduurd. Dat was dan ook nodig om greep te krijgen op die enorme hoeveelheid informatie over op hoogst gecompliceerde wijze verstrengelde processen van verschillende aard en ook om te voldoen aan de wetenschappelijke eisen van diepgang en precisie. Het rapport is bovendien zeer omvangrijk, omdat het alleen zo kon geven wat was gevraagd: een zo precies en volledig mogelijke reconstructie van de gebeurtenis-en en een historisch-verklarende analyse daarvan.

Graag vestig ik in kort bestek uw aandacht op de belangrijkste bevindingen. Daarbij staat de vraag naar de betrokkenheid en verantwoordelijkheid van instituties en personen op alle relevante niveaus centraal.

De `tragedie Srebrenica' kan slechts worden begrepen tegen de achtergrond van de gewelddadige desintegratie van het voormalige Joegoslavië. Dáár braken begin jaren negentig conflicten uit, omdat er enerzijds nationalistische leiders waren die bereid bleken hun doeleinden te realiseren door gebruik van grof geweld en er anderzijds gevoelens van onveiligheid en angst leefden bij de bevolking die leidden tot acceptatie van geweld als enige vorm van verweer.

De desintegratie van Joegoslavië was de uitkomst van een veelzijdig proces, waarbij de omarming van het nationalisme door de Servische president Miloševic, in een poging zijn machtspositie te continueren, een doorslaggevende rol speelde. Het nationalisme van leiders elders in Joegoslavië speelde echter eveneens een rol, in het bijzonder dat van de Kroatische president Tudjman. Terwijl zijn eigen Kroatië in staat van oorlog verkeerde met het Joegoslavische leger en Servische paramilitairen, wist hij met Miloševic afspraken te maken over de opdeling van Bosnië-Herzegovina, waarbij hooguit een mini-moslimstaat zou resteren.

De oorlog in Bosnië brak uit in april 1992, niet omdat ze werd veroorzaakt door een voortijdige erkenning door de Europese Gemeenschap, zoals vaak is beweerd, maar omdat de partijen in de regio daar zelf op aanstuurden. De invloed van het westen op de gang der gebeurtenissen in voormalig Joegoslavië was trouwens in het algemeen gering, zeker zo lang niet de bereidheid bestond op massale schaal te interveniëren. Wapenstilstandsakkoorden die het westen beschouwde als diplomatieke successen, bleken bewust gekozen adempauzes van de conflictpartijen te zijn om zich voor te bereiden op een volgende fase van de strijd. Vredesplannen van het westen gooiden geen olie op de golven, maar wakkerden de vijandelijkheden dikwijls aan. Het westen deed voornamelijk pogingen te proberen het conflict te beperken en humanitaire hulp te verlenen.

Onderhandelingen en humanitaire hulpverlening beperkten op zich weer de mogelijkheid daadkrachtig in te grijpen: gewapende actie kon immers vredesbesprekingen doorkruisen en kon leiden tot stopzetting van de hulpverlening. Het westen werd de gijzelaar van de eigen aanpak en kwam terecht in een `doormodderscenario'. De door de VN nagestreefde onpartijdigheid maakte de vredestroepen gehaat bij alle partijen in het conflict.

In die context werd de Franse generaal Morillon, toen hij in maart 1993 de Oost-Bosnische enclave Srebrenica bezocht, gegijzeld door de bevolking en kon hij pas weer vertrekken nadat hij de inwoners van de enclave had toegezegd dat zij onder bescherming van de VN stonden. Korte tijd later werden niet alleen Srebrenica, maar nog vijf moslimenclaves uitgeroepen tot zogeheten Safe Areas.

Veilig waren deze gebieden echter geenszins: zij waren niet gedemilitariseerd, de Servische troepen eromheen hadden zich niet op een veilige afstand teruggetrokken en de vredesmacht die in de enclaves werd gestationeerd, was te klein voor bescherming of verdediging. De Safe Areas hadden dan ook minder te maken met de realiteit van Bosnië-Herzegovina dan met de behoefte aan een compromis in de Veiligheidsraad en de wens om de spanningen te verminderen die er waren opgetreden tussen de Verenigde Staten en Europa over de juiste aanpak.

Het excentrisch gelegen Srebrenica was de zwartepiet onder deze Safe Areas. Geen enkel land was bereid hier eind 1993 troepen te stationeren, nadat de Canadese regering te kennen had gegeven haar troepen te willen terugtrekken. Het Nederlandse kabinet, dat internationaal voorop had gelopen met de roep om daadkrachtiger interventie, meende niet anders te kunnen doen dan deze vacature in de VN-plannen te vullen.

Dit vooroplopen was het gevolg geweest van het grote belang dat het kabinet toekende aan een vermindering van het humanitaire leed in Bosnië. Als gevolg van zijn eerdere krachtige uitspraken was het Nederlandse kabinet tenslotte gedwongen die waar te maken met een militaire bijdrage in de vorm van gevechtstroepen. Alleen de Luchtmobiele Brigade kwam daarvoor in aanmerking. Dat was een constatering die al in augustus 1992 werd gedaan.

Het waren dan ook niet het parlement of de media die het kabinet dwongen een bataljon van de Luchtmobiele Brigade, dat eind 1993 inzetbaar zou zijn, beschikbaar te stellen. Het was het Nederlandse kabinet zelf dat daarop aanstuurde, de ministers Lubbers en Van den Broek en vanaf begin 1993 diens opvolger Kooijmans voorop. De aanvankelijk aarzelingen van minister Ter Beek van Defensie werden mede weggenomen door de dadendrang van een deel van de Koninklijke Landmacht, die in een tijd van bezuinigingen wilde demonstreren waartoe het paradepaardje van de landmacht, de Luchtmobiele Brigade, in staat was. Voor kritische geluiden, die er ook waren bij de landmacht, bestond vooral in de politiek weinig gehoor.

Dat had verregaande consequenties. In 1993 stelde het Nederlandse kabinet zonder voorwaarden vooraf, naast de ondersteunende troepen die al in VN-verband opereerden, ook een bataljon van de Luchtmobiele Brigade beschikbaar. Dit Dutchbat werd zodoende in de praktijk uitgezonden:

op een missie met een onhelder mandaat

naar een gebied omschreven als een Safe Area zonder dat daar een duidelijke definitie van bestond

om vrede te handhaven waar geen vrede was

zonder diepgaand informatie in te winnen bij de Canadese voorgangers in de enclave

zonder adequaat te zijn opgeleid voor deze specifieke taak in die specifieke omstandigheden

nagenoeg verstoken van middelen en capaciteiten voor inlichtingenvergaring (intelligence) om de politieke en militaire intenties van de strijdende partijen te peilen

onder ongefundeerd vertrouwen in de bereidheid van de hogere niveaus in de VN-leiding het luchtwapen in te zetten in geval van problemen

zonder duidelijke eigen exit-strategie.

Daarmee werd een sterke wissel getrokken op een toekomst waarin de verhoudingen in de regio zich zouden stabiliseren. Natuurlijk kon niemand voorspellen hoe ernstig de moeilijkheden voor de VN-missie in 1995 zouden worden. Maar de brede kring van betrokkenen bij dit beleid en in het bijzonder de voorvechters daarvan, hebben wel een grote verantwoordelijkheid op zich geladen door de mogelijkheden van het uit de hand lopen van het gedrag van de strijdende partijen te veronachtzamen.

Met compassie en ambitie door de Nederlandse politiek naar Srebrenica gestuurd, kwam Dutchbat onontkoombaar in het doormodderscenario van de VN terecht. Onvermijdelijk leidde dat tot grote teleurstelling en in de loop der tijd steeds meer tot moeizaam functioneren van Dutchbat. De dagelijkse situatie in de enclave week wel erg ver af van het ideaal bij uitzending. De achtereenvolgende bataljons moesten hun werk doen onder frustrerende en op den duur demotiverende omstandigheden. De schaarse en problematische contacten met de bevolking en de gebrekkige communicatie met de buitenwereld brachten een in zichzelf gekeerde houding met zich mee.

De uitvoering van de missie werd sterk bemoeilijkt door het feit dat van de overeengekomen demilitarisatie nauwelijks sprake was. Sterker, er werden nieuwe wapens de enclave binnengesmokkeld. In feite zat Dutchbat vanaf het begin klem tussen de strijdende partijen. Het Bosnisch-Servische leger (de VRS) verscherpte in de loop der tijd de belegering door steeds meer bevoorradingsconvooien te belemmeren. Dat paste in zijn strategie geleidelijk een humanitair onhoudbare situatie te scheppen, waardoor de enclave alsnog in handen van de Serviërs zou vallen. Het Bosnische regeringsleger (de ABiH) van zijn kant was er op uit om met beperkte acties relatief veel VRS-mankracht in de regio te binden. Daarin pasten aanvallen op dorpen buiten de enclave, die tevens roof- of wraaktochten konden zijn, en beschietingen van de VRS, ook doelbewust vanuit de nabijheid van Dutchbatters, die vervolgens gevaar liepen in tegenvuur terecht te komen.

Vooral Dutchbat III kwam onder zeer grote druk te staan toen in mei 1995 de strijd weer heviger oplaaide. De afknijpstrategie van de VRS leidde tot zware onderbezetting, noodrantsoenen en beperkte bewegingsmogelijkheden. Commandant Karremans moest begin juni melden dat Dutchbat III niet langer als een volwaardig opererend bataljon kon worden beschouwd. Force Commander Janvier deelde dat oordeel.

Oost-Bosnië was geen hoofdterrein van de oorlogen in het voormalig Joegoslavië, zelfs niet in Bosnië. Toch verhoogde de VRS begin juli 1995 zijn activiteiten rond de enclaves daar. Het doel was in eerste instantie verkleining van de Safe Area Srebrenica en beheersing van de strategisch belangrijke weg ten zuiden van de enclave. Daarmee zou ook de verbinding tussen de enclaves Srebrenica en Žepa doorsneden worden.

Het krijgsplan voor de aanval werd vastgesteld op 2 juli; deze begon op 6 juli. Het verloop was zo succesvol en er werd zo weinig tegenstand ondervonden dat de VRS op 9 juli besloot door te stoten en te zien of verovering van de hele enclave mogelijk was. Op 11 juli stond een triomferende generaal Mladic van de VRS in Srebrenica. De Safe Area was gevallen.

De weerstand die de ABiH had geboden was ook in Bosnische ogen onder de maat. De 28ste divisie bevond zich echter al voor de aanval in slechte staat en was met een deel van de manlijke burgerbevolking op de vlucht. De overige bevolking trok ontredderd naar de compound van Dutchbat in Potocari, een dorpje vlak buiten Srebrenica. Dutchbat, hoewel geen strijdende partij, verkeerde feitelijk als een verslagen bataljon in de macht van de VRS.

Het verhaal van de aanval en de val wordt in het rapport in detail beschreven en geanalyseerd. Een centrale vraag is waarom de VN-troepen niet met krachtige militaire middelen hebben geprobeerd de VRS te stoppen. Het antwoord kan in een aantal punten worden samengevat:

actieve verdediging van de enclave was niet in overeenstemming met het mandaat en de door de VN aangehouden lijn;

de instructie was daarom ook juist niet met militaire middelen te reageren;

alleen als de eigen veiligheid van de blauwhelmen in gevaar kwam mocht gericht worden geschoten; de VRS trok echter zorgvuldig om de opgeworpen blocking positions heen;

de militaire krachtsverhoudingen maakten Dutchbat in een eventueel gevecht bij voorbaat kansloos;

er bestonden bij het hoofdkwartier in Zagreb (Janvier en Akashi) grote aarzelingen het luchtwapen te hanteren; zeker massale air strikes waren feitelijk uitgesloten.

Bij de vraag naar de effectiviteit van eventueel militair verzet van UNPROFOR kan een, zij het speculatieve kanttekening worden gemaakt. In de gegeven omstandigheden ging het niet alleen om de strikt militaire krachtsverhoudingen. Op politiek-psychologisch niveau was niet ondenkbaar dat de VRS (Mladic) toch zou zijn teruggeschrokken voor een gevecht waarin aan UNPROFOR-kant slachtoffers hadden kunnen vallen. Dat het besluit door te zetten tot Srebrenica zelf was ingegeven door het uitblijven van tegenstand, wijst er op dat zulke overwegingen een rol speelden.

Op grond van die overweging hadden bijvoorbeeld Janvier en Akashi het initiatief kunnen nemen om in afwijking van de geldende beleidslijn wel actieve tegenstand te bieden. Dat gebeurde niet. Ook de leiding van Dutchbat besloot niet om eigenmachtig van de instructies af te wijken en toch tot actieve tegenstand over te gaan. De algemene toestand van het bataljon, de indruk die de door een moslimactie veroorzaakte dood van soldaat Van Renssen maakte en het uitblijven van luchtsteun, waarvan nu juist veel verwacht was, verhinderden dat die gedachte zelfs maar op kwam.

Het dieptepunt van de gebeurtenissen beschreven in het rapport is de massamoord op duizenden moslimmannen. Het merendeel van hen probeerde tijdens en na de val van Srebrenica naar Tuzla te ontkomen. Een groot aantal militairen en burgers kwam om tijdens die tocht. Duizenden gevangenen werden vervolgens vermoord.

Het is niet waarschijnlijk dat de massamoord in deze vorm en omvang lang tevoren is beraamd. De ontsnappingspoging kwam voor de VRS als een onaangename verrassing. Mladic had net de overwinning in Srebrenica geproclameerd en wilde zich op de verovering van het zuidelijke Žepa richten. Maar nu zag hij zich ook met een militair en logistiek probleem geconfronteerd ten noorden van Srebrenica.

De woede daarover bij de VRS raakte vermengd met oude haat- en wraakgevoelens en wil tot etnische zuivering. Tezamen leidden ze tot de beslissing de gevangenen massaal te executeren. De gebeurtenissen kunnen niet worden afgeschilderd als een uit de hand gelopen wraakactie. Weliswaar is er snel en improviserend opgetreden, maar schaal en verloop van de moordpartijen wijzen duidelijk op organisatie. Executieplaatsen werden uitgezocht, transport geregeld en troepen vrijgemaakt om de executies uit te voeren. Dat de operatie zich over verscheidene dagen uitstrekte en de VRS zich inspande om de logistieke problemen die optraden te verhelpen, onderstreept nog eens dat sprake was van opzet.

Hoewel geen schriftelijke order is aangetroffen, lijdt het geen twijfel dat de hoofdverantwoordelijkheid bij generaal Mladic lag en dat de militairen om hem heen in die verantwoordelijkheid delen. Karadzic gaf als verantwoordelijk opperbevelhebber formeel de opdracht tot de scheiding van Srebrenica en Žepa en later tot verovering van de hele enclave.

Of hij vooraf van de massamoord op de hoogte was, is echter niet duidelijk. Karadzic had een slechte relatie met Mladic en zij communiceerden slecht. Voor een betrokkenheid van Servische autoriteiten in Belgrado zijn geen aanwijzingen gevonden.

Had deze massamoord voorkomen kunnen worden en was daarbij een rol weggelegd voor Dutchbat? Bij het zoeken van een antwoord op die vraag moet allereerst worden vastgesteld dat in die dagen noch bij de VN, noch bij de Bosnische regering en ook niet bij een groot deel van de media, werd geconcludeerd of verwacht, dat een massamoord op handen was. Het beeld dat is ontstaan als zouden duizenden mannen `onder de ogen van Dutchbat' zijn omgebracht, is onjuist. Het gebeurde juist elders.

Wel hebben Dutchbatters, die door de VRS gegijzeld waren, zaken gezien die achteraf zijn uitgelegd als aanwijzingen voor een massamoord. Zij hebben hun waarnemingen op 15, 16 en 17 juli gemeld. Noch bij de VN noch in Den Haag is daaruit geconcludeerd dat dit aanwijzingen voor een massamoord waren. Generaal Couzy, die de gegijzelden in Zagreb opving, gaf geen ruchtbaarheid aan deze berichten. Op 17 juli wist hij NOVA er van te overtuigen de getuigenissen van deze Dutchbatters niet uit te zenden voordat het gehele bataljon in veiligheid was. Ook daarna heeft Couzy aan deze aanwijzingen geen bijzondere betekenis toegekend. Op het moment waarop hij en de media rond 17 juli de eerste signalen kregen, was de massamoord overigens al vrijwel voltooid.

Ook de dramatische gebeurtenissen, die zich in Potocari rond de compound van Dutchbat hebben afgespeeld, roepen vragen op. Commandant Karremans heeft tevergeefs geprobeerd om in onderhandelingen met Mladic het initiatief te houden bij de afvoer van de bevolking. Hij was echter geen partij voor Mladic en kreeg onvoldoende steun van de VN. Zo moest hij de eis accepteren dat de mannen gescreend zouden worden op oorlogsmisdadigers. Mladic brak zijn woord door zelf versneld de afvoer te starten. Vanaf dat moment liep Dutchbat achter de feiten aan.

In de ogen van de bataljonsleiding was er geen andere keuze dan meewerken; anders dreigde een humanitaire ramp van grote omvang als gevolg van de zeer slechte hygiënische omstandigheden en gebrek aan voedsel en water. Gewapend verzet was geen optie omdat vermoedelijk de VRS dan een bloedbad onder de vluchtelingen zou aanrichten. Sommige Dutchbatters, onder wie plaatsvervangend commandant Franken, vreesden wel voor het lot van de mannen (al ging dat niet zo ver dat hij op een massamoord rekende). Hij liet echter het in zijn ogen grotere belang van de duizenden vrouwen en kinderen zwaarder wegen dan het onzekere lot van de mannelijke minderheid. Vertraging van de afvoer moest worden voorkomen. Dat leidde tot pijnlijke, maar bewuste keuzes.

Zo heeft Dutchbat zich niet verzet tegen de scheiding van mannen en vrouwen. Er zijn echter geen aanwijzingen gevonden dat Dutchbat zelf bij die selectie een rol speelde. De screening van de mannen door de VRS is opgevat als een niet-ongebruikelijke handeling in het licht van de wetten en gewoonten van de oorlog. Pas in de loop van dat proces ontstond bij sommige Dutchbatters het vermoeden dat de afgescheiden mannen een erger lot dan krijgsgevangenschap wachtte. Het meerendeel van hen werd uiteindelijk buiten de enclave vermoord, tezamen met degenen die geprobeerd hadden te ontsnappen.

Schokkend is voorts de conclusie, dat ook in de directe omgeving van de compound een groot aantal mannen is vermoord. Mladic creëerde de mogelijkheid voor een lokale wraakoefening door Bosnisch Servische bewoners van de streek. Hoewel het onmogelijk is het precieze aantal vast te stellen, is de conlusie dat er (met een ruime marge) bij deze wraakoefening tussen de 100 en 400 doden zijn gevallen. Dit aantal is veel hoger dan wat op basis van meldingen door Dutchbatters werd vermoed.

Deze discrepantie wordt voor een deel verklaard doordat de daders veel aan het zicht van Dutchbat hebben weten te onttrekken. Maar tegelijk is inmiddels duidelijk dat Dutchbatters meer hebben waargenomen dan op dat moment en later is gemeld of doorgegeven. Hiervoor is een aantal verklaringen. Op 12 en 13 juli was nauwelijks meer sprake van een adequate interne communicatie en rapportage. De bataljonsleiding heeft daardoor maar weinig vernomen en de informatie die wel kwam niet goed op waarde kunnen schatten. De bataljonsleiding interpreteerde de schaarse meldingen als incidenten en zo lijken ze ook in Sarajevo te zijn opgevat. Op veel Dutchbatters hadden de gebeurtenissen een traumatiserende uitwerking, die er toe leidde dat zij pas later hun verhaal hebben gedaan of zelfs zijn blijven zwijgen, behalve tegen hulpverleners bij wie ze aanklopten met psychische problemen.

Is tekortschieten van de rapportage gedurende die eerste dagen nog verklaarbaar uit deze omstandigheden, het laat de vraag onbeantwoord waarom de bataljonsleiding ook na 13 juli, toen er meer rust was, geen gerichte poging heeft gedaan om na te gaan wat er allemaal door het bataljon was waargenomen. In deze verantwoordelijkheid delen de VN-functionarissen op hogere niveaus, die geen instructies lieten uitgaan, hoewel zij al snel ook de beschikking hadden over de informatie die de vluchtelingen in Tuzla naar voren brachten. Het illustreert de ondergeschikte rol die humanitaire rapportage speelde binnen UNPROFOR. Ook hier geldt echter, dat het de vraag is of systematische verzameling en analyse van waarnemingen tijdig tot resultaten zou hebben geleid, die de massamoord, die zoals gezegd op 17 juli vrijwel was voltooid, hadden kunnen belemmeren.

De uitkomsten van de debriefing van de hoofdmacht van Dutchbat op 22 en 23 juli in Zagreb konden dat in ieder geval niet meer. Wel moet worden vastgesteld dat er daar weinig aandacht is geweest voor mensenrechtenschendingen en dat generaal Couzy de indruk heeft gewekt dat het allemaal wel was meegevallen. Zijn opstelling en die van Karremans met zijn door de landmachtvoorlichting bedachte uitspraak over `no good guys, no bad guys', droegen bij aan een omslag in de media van relatieve welwilendheid ten aanzien van Dutchbat tot een zeer kritische houding jegens zowel het bataljon als het ministerie van Defensie. Van een tragedie op de Balkan werd `Srebrenica' in zekere zin een affaire in Nederland.

De belangrijkste kritiek op Dutchbat stond in het licht van een massamoord die het Nederlandse bataljon niet had weten te verhinderen. Dutchbatters konden zich in die beeldvorming niet herkennen, omdat hun een andere werkelijkheid voor ogen stond. De beelden bijvoorbeeld van hossende Dutchbatters in Zagreb werden ten onrechte uitgelegd als een teken van onverschilligheid over de massamoord. Die beeldvorming was niet juist. Niet alleen hadden de meesten op dat moment zelfs geen vermoeden van die ramp, ook de context van de beelden ontbrak. De hospartij van enkele tientallen Dutchbatters was de ontlading na een spontane herdenking van hun gesneuvelde collega's Raviv van Renssen en Jeffrey Broere.

Deze beelden waren opvallend genoeg door Defensie zelf aan de media ter beschikking gesteld in een poging het verwijt te keren dat de informatievoorziening onvoldoende was. Zowel onkunde als onwil speelde bij die informatieverschaffing een rol. Veel was wel degelijk in een vroeg stadium of later door Dutchbatters gemeld, maar niet op waarde geschat. Vervolgens waren het de media die deze gegevens opnieuw naar boven wisten te halen. De onbevredigende reacties daarop door Defensie versterkten het vermoeden dat gepoogd werd het blazoen van Dutchbat en de landmacht ten onrechte ongeschonden te houden. Naast onkunde en slechte communicatie tussen departement en landmacht speelde dat inderdaad een rol.

Minister Voorhoeve wilde een breed en alomvattend onderzoek, dat aan alle vraag naar informatie zou kunnen voldoen. De landmachttop had een beperktere kijk op welk type debriefing wenselijk was en hoe breed de informatiestroom naar het publiek diende te zijn. Hoewel de minister verantwoordelijk was en bleef, liet hij toch gebeuren dat de landmacht zijn stempel op de debriefing zette. De minister wilde de landmacht vervolgens weer niet publiekelijk desavoueren en dat maakte hem de gevangene van het debriefingsrapport. Het gevolg was dat de minister steeds achter de feiten en de nieuwe onthullingen aan bleef lopen.

De poging van de landmachttop de informatiestroom beperkt te houden en onwelgevallige onderwerpen zo veel mogelijk te vermijden kwam als een boemerang terug. Srebrenica bleef met een grote regelmaat de media beheersen. De defensieorganisatie raakte er in een aantal opzichten vrijwel door verlamd. Minister Voorhoeve slaagde er niet in die situatie te doorbreken. Zo bleef in de Nederlandse nasleep van Srebrenica Defensie centraal staan, terwijl de drijvende kracht achter het beleid dat Dutchbat in Srebrenica bracht, Buitenlandse Zaken, verhoudingsgewijze buiten schot bleef. De Koninklijke Landmacht had aarzelingen gekend, maar zich uiteindelijk loyaal in dat beleid gevoegd en zelfs het paradepaardje, de Luchtmobiele Brigade, ter beschikking gesteld. Juist de pogingen het imago van dat paradepaardje te beschermen bleven de landmacht en dus ook het ministerie van Defensie nog jaren opbreken.

`Srebrenica' werd als affaire in Nederland een centraal thema in het debat over Joegoslavië. In het voormalige Joegoslavië zelf was voor Srebrenica maar zelden zo'n centrale plaats weggelegd. Meestal was het een zijtoneel met een geringe prioriteit. Wel was de val van Srebrenica en vooral de massamoord een factor die bijdroeg aan de ommekeer in de oorlog in Bosnië in de zomer van 1995, die uitliep op de overeenkomst van Dayton, die op 21 november 1995 een einde aan de oorlog in Bosnië maakte.

Het debat over de gewelddadige desintegratie van de federale staat Joegoslavië en over de internationale interventie daarin is op allerlei niveaus volop gevoerd en zal gevoerd blijven worden: politiek, moreel, humanitair. Maar ook historisch. Het NIOD-onderzoek beoogt juist in dit opzicht een grondige en veelomvattende bijdrage te leveren. In de eerst plaats aan de kennis van de dramatische gebeurtenissen tijdens en na de val van de enclave Srebrenica, maar ook aan inzicht in de brede context waarin deze konden plaatsvinden. Het rapport kan daarmee een degelijke feitenbasis vormen voor het voortgezette debat in politiek en samenleving, waaraan sterke behoefte is. Het moge duidelijk zijn dat niet zo zeer de affaire in Nederland als wel de tragedie in de Balkan daarbij de kern van de zaak is.