De val van de enclave Srebrenica

De militaire operatie duurde niet langer dan vijf dagen. De massamoord op duizenden verliep nog sneller. Korte geschiedenis van de val van Srebrenica.

Op 6 juli 1995 begon het Bosnisch-Servische leger een offensief tegen de enclave Srebrenica en de gelijknamige stad, waar zich op dat moment zo'n dertigduizend- tot veertigduizend burgers en honderden soldaten van het Bosnische moslimleger ophielden. Srebrenica was de eerste van drie moslim-enclaves in Oost-Bosnië die door de Serviërs werden aangevallen: bij het naderen van het eind van de Bosnische oorlog wilden de Serviërs per se van de lastige enclaves in `hun' gebied – Srebrenica, Žepa en Gorazde – af.

Nederlandse observatieposten aan de rand van de enclave kwamen onder Servisch vuur te liggen. Dat leidde tot het eerste verzoek om luchtsteun aan het VN-hoofdkwartier. Dat zag in de beschietingen geen aanleiding voor een positief besluit.

Op 8 juli waren er nieuwe beschietingen door Serviërs van Nederlandse observatieposten. Soldaat Rajiv van Rensen werd dezelfde dag gedood door een granaat van moslimsoldaten die de Nederlandse terugtocht wilden voorkomen.

Ondanks ontkenningen van de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic dat zijn leger Srebrenica wilde innemen, veroverde het al snel zes van de dertien Nederlandse observatieposten. Op 9 juli zaten 55 Nederlandse soldaten vast in krijgsgevangenschap. Een ultimatum van Unprofor – de VN-vredesmacht in Bosnië – over de vrijlating werd geen kracht bijgezet, officieel door vroeg invallende duisternis. Op 10 juli hervatte het leger van Mladic zijn beschietingen, waarbij veel burgerslachtoffers vielen. De soldaten van Oric waren toen al gevlucht, hetgeen de indruk wekte dat het centraal Bosnisch commando in Sarajevo de moslimenclave had opgegeven.

Nadat op 11 juli opnieuw de gevechten waren opgelaaid vroeg Dutchbat om 11.00 uur om luchtsteun. Die werd om 12.30 uur toegestaan. Om 14.00 uur gooiden twee Nederlandse F16's bommen op enkele Bosnisch-Servische tanks. Amerikaanse vliegtuigen die meehielpen misten doel. Mladic dreigde daarop Srebrenica en Potocari, het dorp verderop waar het Dutchbat-commando zat, plat te bombarderen en de 55 Nederlandse gijzelaars te doden. De commandant van Unprofor besloot toen de luchtaanval te staken. Om 16.15 uur op deze elfde juli nam Mladic Srebrenica in.

's Avonds bespraken Dutchbat-commandant Thom Karremans en Mladic de evacuatie van de inwoners. Op 12 juli vertrokken de eerste konvooien met vrouwen en kinderen per bus richting Tuzla, zonder duizenden moslimmannen. Die werden, zo luidde de officiële Bosnisch-Servische verklaring, voor ondervraging over mogelijke oorlogsmisdaden weggevoerd, zonder verzet van Dutchbat. Datzelfde overkwam later de 239 mannen die zich in het VN-kampement hadden bevonden. Het laatste konvooi met vluchtelingen vertrok 13 juli. Een dag later arriveerde minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking in Tuzla, waar zich het VN-hoofdkwartier voor Bosnië bevond. Hij sprak, onder meer op basis van verhalen van gevluchte moslims, als eerste bewindsman van genocide onder de Bosnische mannen.

Op 15 juli werden de Nederlandse militairen door de Bosniërs vrijgelaten. Op 21 juli verliet Dutchbat de enclave. Op 23 juli werden de soldaten in Zagreb feestelijk begroet door premier Wim Kok, minister van Defensie Joris Voorhoeve, generaal Hans Couzy en kroonprins Willem-Alexander.