De euro-inflatie is van ons allemaal

De eerste honderd dagen zijn in de VS sinds jaar en dag een ijkpunt voor een nieuwe president, en het verschijnsel is in de jaren negentig overgewaaid naar Europa. De eerste honderd dagen van Blair, de eerste honderd dagen van Kok I en Kok II. Hoe zit het met de eerste honderd dagen van de euro?

Vandaag is de honderdste dag dat de munten en biljetten in de eurolanden circuleren. Dat maakt benieuwd naar de prestaties van de munt zelf, en die hangen vooral af van de waardevastheid van de munt. Met de externe waarde, de koers van de euro ten opzichte van andere munten, is niets gebeurd. Anders dan in 1999, toen de euro na zijn girale invoering flink kelderde, is de waarde van de euro nu nauwelijks gewijzigd ten opzichte van de dollar, de yen of het pond sterling.

Met de interne waarde van de euro, de mate waarin de waarde wordt uitgehold door inflatie, zit het anders. De gemiddelde inflatie in de eurolanden is gestegen naar 2,5 procent op jaarbasis en een klein deel daarvan heeft rechtstreeks met de invoeringskosten van de euro te maken. Hoeveel, dat verschilt per land. In Nederland heeft het publiek de indruk dat er grote prijsstijgingen zijn doorgevoerd. In een enquête van het Nibud geeft 31 procent van de respondenten aan de indruk te hebben dat de prijzen door de euro zijn gestegen, en maar liefst 66 procent vindt dat de prijzen sterk zijn gestegen. Samen goed voor 97 procent.

De Nederlandsche Bank doet in zijn meest recente kwartaalbericht een poging om het prijsopdrijvende effect van de euro in te schatten, op basis van een enquête onder detaillisten. Conclusie: een inflatie van tussen 0,2 procent en 0,4 procent is aan de euro toe te schrijven, op basis van geschatte euro-prijsverhoging van tussen de 0,5 procent en 0,9 procent in de detailhandel. De Nederlandsche Bank is echter voorzichtig, laat prijsverhogingen door overheden buiten beschouwing en merkt op dat een flink deel van de geënquêteerde bedrijven niet heeft aangegeven met hoeveel zij hun prijzen hebben verhoogd. Op grond daarvan kan een `lichte onderschatting van het euro-effect niet worden uitgesloten', zo geeft de Bank aan.

Nu hebben Nederlandse bedrijven en overheid, uitgezonderd de banken, samen naar schatting zo'n 2,5 miljard aan kosten gemaakt om op de euro over te gaan. Dat komt overeen met 0,5 procent tot 0,6 procent van het bruto binnenlands product. Zijn die eurokosten soms meteen overgeheveld naar de consument? Dan kunnen we met recht zeggen dat de euro nu van ons allemaal is.