Aandacht voor wonder van Garabandál opgeklopt

De aandacht voor het optreden van prof.dr. F. Rutten, voormalig secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken, is een voorbeeld van relihype, vindt Peter Jan Margry.

Een jaar geleden creëerden de Nederlandse media een kleine hype rond voormalig topambtenaar professor Frans Rutten en zijn uitspraken over een verwacht wonder in het door de katholieke kerk niet-erkende Spaanse heiligdom Garabandál. Morgen, zo is voorspeld, zal daar een wonder gebeuren dat het begin zou zijn van een nieuwe fase in de eindtijdverwachting: de opmaat tot het laatste oordeel en de wederkomst van Christus.

Is het in Nederland eigenlijk al ondenkbaar dat een intellectueel zich serieus met dergelijke zaken bezighoudt, het gegeven dat hierbij een voormalig topambtenaar en hoogleraar is betrokken, zette de media op scherp. Het leidde tot een minihype die Rutten en Garabandál disproportioneel uitvergrootten. Nederlandse journalisten en cameraploegen zijn in het kielzog van de religieus-conservatieve professor naar het verschijningsoord getrokken in afwachting van het (on)gelijk van Rutten.

Dit is een zinloze exercitie. In dergelijke zaken bestaat simpelweg geen gelijk. Bovendien wordt dit individuele geval uit zijn context gelicht. In de praktijk zijn het namelijk de zieners en hun fanatieke vereerders die bepalen of en wat er wordt geopenbaard. Sterker nog: vaak kunnen alleen zij de verschijningen zien of ervaren, of worden verschijningen en boodschappen eenvoudigweg uitgesteld, zoals ook na het rustige `apocalyptische jaar' 2000, toen de diverse eindtijdvoorspellingen weer jaren vooruit werden geschoven.

Dat dit haast persoonlijke `reli-event' bovendien in een geheel verkeerd daglicht is komen te staan, wordt duidelijk als men kennis neemt van de bredere context waarin Garabandál functioneert. Deze zieners en hun volgelingen maken namelijk deel uit van een nieuwe religieus-spirituele beweging die zich in de afgelopen decennia aan de rafelrand van de katholieke kerk heeft ontwikkeld. Het gaat om tientallen grotere en een nog veel groter aantal kleinere niet-erkende devoties, waarop de kerk weinig grip heeft. Het is een circuit van op zichzelf staande deviante culten veelal geconcentreerd rond Maria die gezamenlijk een mondiaal netwerk vormen zonder formele structuur. Hun gemeenschappelijkheid komt vooral tot uiting in het type vereerders dat in grote lijnen gerekend moet worden tot (para)katholieke `devotees' met een conservatieve of fundamentalistische geloofsoriëntatie. Door hun geïndividualiseerde cultusparticipatie en eclectische omgang met de verschillende heiligdommen en via hun eigen informatiekanalen creëren zij een internationaal devotienetwerk dat grotendeels naast de katholieke kerk en haar Mariaverering functioneert.

Hoewel de meeste devoties relatief recent zijn ontstaan, zijn ze inhoudelijk sterk op de in 1917 afgegeven mariale boodschappen in het Portugese Fatima gebaseerd. De daar verkondigde opdrachten tot boetedoening en gebed en de bestrijding van communisme, oorlog en de activiteiten van de duivel, worden door de betrokkenen in een direct verband met een naderende eindtijd gebracht. Sinds de val van de communistische regimes zijn daar de moderne `vijanden' van het `ware geloof' aan toegevoegd: geloofsafval, abortus, homoseksualiteit, euthanasie, de verwording van de samenleving en de ontaarding van de kerk en zijn priesters.

De duizenden boodschappen die daarover zijn inmiddels afgegeven, vormen aanleiding tot evenzoveel voorspellingen. In het Italiaanse Manduria vindt op de 25e van elke maand een verschijning aan zieneres Debora plaats en in het Bosnische heiligdom Medjugorje arriveren de mariale boodschappen met een vergelijkbare frequentie. Dit netwerk, waarvan Garabandál ook deel uitmaakt, bestaat voor een belangrijk deel bij de gratie van de vele wonderen, verschijningen en boodschappen.

Het belang van de beweging zit hem dus niet in een individuele cultus of een enkel wonder, maar in het brede netwerk waarvan ze onderdeel uitmaken en dat een betekenisvolle religieus-spirituele stroming genereert. Het is een beweging die heterodoxie en conservatisme in de katholieke kerk brengt en waar het Vaticaan niet goed weg mee weet.

Het is een heet hangijzer, dat direct verband houdt met de ambigue politiek van paus Johannes Paulus II. In de eerste plaats heeft hij door zijn persoonlijke devotionele voorkeuren dergelijke conservatief-fundamentalistische devoties regelmatig gefaciliteerd. Daarnaast heeft hij, teneinde deze beweging te beheersen en de kritische Vaticaanse congregaties (met name die van de Geloofsleer) te apaiseren, bovendien stappen ondernomen om ze toe te buigen naar de geïnstitutionaliseerde kerk. Zo heeft hij gedurende zijn pontificaat fel omstreden zieners en mystici met hun devoties (bijvoorbeeld de Poolse Faustina Kowalska en de Italiaanse Padre Pio) toch heilig laten verklaren en worden kerkelijk `verboden' cultusplaatsen via de achterdeur toch positief tegemoetgetreden.

In dat verband is de cultus rond de verschijningen in Medjugorje (ook Rutten is verbonden met deze devotie) zeer problematisch. De bisschoppelijke en Vaticaanse onderzoekscommissies blijven zogezegd objectieve en wetenschappelijke criteria formuleren en hopen zodoende tevergeefs te kunnen bewijzen dat de verschijningen van Medjugorje of Garabandál anders (`niet-bovennatuurlijk') zijn dan die van erkende heiligdommen met hun `bovennatuurlijke' verschijningen zoals Lourdes.

Hoe sterk de Vaticaanse instituties zich ook tegen Medjugorje, het grootste deviante heiligdom in de wereld, hebben verzet, uiteindelijk zal Rome vanwege de kritische massa (een brede `vox populi dei') die de cultus aan het verwerven is, toe moeten geven, het heiligdom formaliseren en zoveel mogelijk incorporeren. Maar met deze gedoog- en accommodatiepolitiek stimuleert de katholieke kerk onbedoeld nieuwe zieners en profeten en creëert zodoende weer een voedingsbodem voor private en heterodoxe geloofsopvattingen.

De fanatieke vereerders hebben zich in hun geïndividualiseerde geloofsopvattingen en religiositeit veelal van de kerkelijke openbaring afgewend en zoeken hun heil bij niet-erkende privé-openbaringen van zieners. Deze dragen openbaringen en boodschappen uit die vooral aansluiten bij het conservatieve gedachtegoed van vóór het Tweede Vaticaans Concilie. Ook de boodschappen van Garabandál uit 1961-1965 sluiten daarbij aan en worden bij uitstek als anti-Vaticanum II geduid. Het moge duidelijk zijn: het wonder van Garabandál is niet zomaar een op zichzelf staand curiosum of de idiosyncrasie van een gepensioneerde professor. Rutten is gewoon een van de vele `devotees' en of er nu wel of niet wat gebeurt in Garabandál, maakt in dat verband eigenlijk niets uit. Wel is zeker dat Rutten handig gebruik maakt van de gretigheid van de media teneinde op een effectieve manier zijn eigen persoonlijke `openbaringen' over het katholieke geloof en Rome en zijn eigen belangen daarin naar buiten te brengen.

Dr. P.J. Margry is hoofd van de afdeling Etnologie en onderzoeker religieuze cultuur van het Meertens Instituut te Amsterdam.