Onderwijsvrijheid

Artikel 23 van de Grondwet maakte in 1917 een einde aan de schoolstrijd, een epische worsteling tussen de christelijke en niet-confessionele partijen over de inrichting van het onderwijs in de negentiende eeuw. Deze grondwetsbepaling staat bekend als `het pacificatie-artikel' en is nooit veranderd.

Maar een politieke godsvrede uit 1917 kan niet de volledige verklaring leveren voor de heftige reacties op het voorstel van minister Van Boxtel (Grotesteden- en Integratiebeleid) – overigens sprekend als kandidaat van D66 voor de Kamerverkiezingen – om een eind te maken aan onderwijs op religieuze grondslag in Nederland. Het einde dus van artikel 23, dat de gelijkberechtiging van het openbaar en het bijzonder onderwijs voorschrijft.

Het concrete bezwaar van Van Boxtel is dat bijzondere scholen op confessionele grondslag allochtone leerlingen met een beroep op de Grondwet weigeren en zo de integratie belemmeren. Het doet een beetje denken aan het begin van Paars, toen de huidige VVD-lijsttrekker Dijkstal (toen minister van Binnenlandse Zaken) in een interview met een weekblad het grondwetsartikel al eens ter discussie stelde. Wat hem destijds vooral dwarszat was de weerstand tegen decentralisatie, die volgens Dijkstal wenselijk was om op gemeentelijk niveau een beleid tegen onderwijsachterstanden te kunnen voeren.

Volgens de hardliners was een dergelijke decentralisatie taboe. Artikel 23 zegt immers dat het onderwijs een aanhoudende zorg ,,der regering'' is. Dus niet van de gemeente. Het zijn dit soort verkrampte interpretaties die artikel 23 met reden een slechte naam hebben bezorgd. Een onderwijsjurist herinnerde eraan dat de specifieke vermelding van de regering in het grondwetsartikel historisch gezien een reactie is op de Franse tijd. In onze tijd is het maar de vraag of de vrijheid slechter wordt gediend door decentralisatie dan door het spreekwoordelijke `Zoetermeerse circulairecircus' waarop de centrale aanpak in de praktijk vaak uitdraait.

Artikel 23 is een eigen leven gaan leiden, ingekapseld in een steeds dichtere cocon van wetten en afgeleide voorschriften en met de bijbehorende bestuurlijke machtsposities. De confessionele reflex om direct te schermen met de Grondwet als iets in het onderwijs moet worden veranderd is vragen om ongeduldige reacties als die van Dijkstal en nu weer van Van Boxtel. Koekjes van eigen deeg. Maar afschaffen van artikel 23 is het kind met het badwater weggooien, zoals zelfs de onderwijsspecialist van Van Boxtel's eigen partij naar aanleiding van zijn ontboezeming opmerkte. Het alternatief van een eenvormige staatspedagogiek heeft ook zo zijn bezwaren.

Het Nederlandse onderwijsbestel geldt als `uniek' door de ruimte die het geeft aan het particulier initiatief. Een mooie gedachte, maar wel uit dezelfde koker die ons ook al een `uniek' omroepbestel bracht, dat slechts heftig tegenstribbelend de moderne tijd in kan worden getrokken. Hoofdzaak is dat dit laatste gebeurt. Ook in het onderwijsbestel heeft Paars zeker voor beweging gezorgd. De decentralisatie die Dijkstal destijds zo hoog zat is er ten slotte toch van gekomen. De uitwassen van de formele financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs zijn afgekapt. Er zit na het nodige constitutionele gejeremieer schot in kwaliteitstoezicht door de overheid, dat mede het bijzonder onderwijs omvat. Het is mogelijk gemaakt dat bijzondere scholen ,,van kleur verschieten'' als hun oorspronkelijke grondslag niet meer is dan een knellend keurslijf.

Een behoorlijk spreidingsbeleid waaraan het bijzonder onderwijs zijn steentje bijdraagt behoort ook zonder de dreiging van totale opheffing tot de mogelijkheden. De gelijkberechtiging van het bijzonder onderwijs brengt niet alleen lusten mee, maar ook lasten. Dat geldt overigens niet alleen voor het onderwijs op confessionele grondslag waarop Van Boxtel zijn pijlen richt, maar evenzeer voor het algemeen bijzonder onderwijs. Want dat kan net zo goed leiden tot enclavevorming.