Niet vechten en praten tegelijk

Onderhandelen terwijl er gevochten werd werkte niet in Vietnam. In het geval van Israël zal dat evenmin lukken, is het oordeel van Bret Stephens.

Doordat de namen hetzelfde zijn en doordat de moraal zo overzichtelijk is, wordt de huidige strijd van Ariel Sharon tegen Yasser Arafat alom vergeleken met de inval van Israël in Libanon van 1982. `Net als in Libanon', schrijft David Ignatius in The Washington Post, `lijkt Sharon ook aan deze militaire campagne te zijn begonnen zonder te weten waar hij terecht zou komen.' Afgelopen donderdag riep zelfs president Bush, zonder Libanon rechtstreeks te noemen, Sharon op om ,,de invallen in gebieden onder Palestijns beheer te staken en een begin te maken met de terugtrekking uit de steden die het de laatste tijd heeft ingenomen.'' Dat zou volgens hem ,,de basis voor toekomstige vrede leggen''.

Deze redenering is even gangbaar als onjuist. Met de inval in Libanon bereikte Israël zijn belangrijkste doelstellingen: uitschakeling van de PLO als militaire bedreiging en de beveiliging van Israëls noordgrens. Tussen 1983 en 2000 sneuvelden er jaarlijks minder Israëlische soldaten op patrouille in de veiligheidszone in Zuid-Libanon dan er vorige week bij verscheidene terreuraanslagen burgers om het leven kwamen. Maar zelfs daar gaat het niet om. Indertijd voerde Israël een `oorlog uit keuze' een strijd om zijn veiligheid, maar niet om zijn voortbestaan. Op het ogenblik zien de meeste Israëliërs in dat ze verwikkeld zijn in een oorlog `zonder keus'. De vraag is nu of ze die ook als zodanig zullen voeren?

In elk geval tot vorige week was het antwoord nee. Sharon volgde een jaar lang een vruchteloze militaire strategie die akelig veel leek op die van de regeringen-Johnson en Nixon in Vietnam Amerika's eigen grote oorlog uit keuze. Het was niet verbazend dat de resultaten even armzalig waren.

Ten eerste brak Sharon zijn meest wezenlijke campagnebelofte door in te stemmen met onderhandelingen onder Palestijns vuur. Maar net als bij de strategie van `vechten en praten' van Lyndon Johnson, was het enige gevolg hiervan dat het conflict zich voortsleepte. Niet alleen vormde het voortdurende vooruitzicht van een doorbraak via onderhandelingen een militaire belemmering voor Israël, maar het had ook tot gevolg dat Arafat geen serieuze maatregelen tegen het terrorisme nam, want die kon na elke zelfmoordaanslag altijd weer een staakt-het-vuren afkondigen en Israël zo diplomatiek onder druk zetten om op soortgelijke wijze te reageren.

Ten tweede heeft Sharon zich laten verleiden tot een reactieve en goeddeels symbolische militaire campagne. Periodieke F-16-aanvallen, meestal op lege gebouwen, hebben vreselijke schade aan het Israëlische imago toegebracht, maar deden weinig afbreuk aan de Palestijnse oorlogscapaciteit.

Ten derde: zoals de VS Noord-Vietnam niet binnenvielen en ook geen serieuze aanval deden op de communistische toevluchtsoorden in Cambodja en Laos, zo schiep Sharon in feite terroristische toevluchtsoorden door duidelijk te waarschuwen waar hij wel en niet zou toeslaan. De Israëlische strijdkrachten meldden twaalf uur van tevoren hun aanval op het vluchtelingenkamp Balata, tijd genoeg voor de Palestijnse strijders om weg te wezen maar niet zoveel tijd voor onschuldige burgers. Ook bij de eerste inval in Ramallah vorige maand maakte de Israëlische regering duidelijk dat ze geen aanval zou doen op Arafats uitgestrekte basis Mukata. Geen wonder dus dat de Palestijnse terroristen daarheen vluchtten en dat Israël zich nu genoodzaakt ziet er met veel geweld binnen te trekken.

Maar de ernstigste fout van Sharon is geweest dat hij Arafat uitdrukkelijk heeft verzekerd dat diens greep op de macht niet zou worden aangetast. Zolang Israël stelde dat zijn doel een regeling door onderhandelingen was en niet de vernietiging van de Palestijnse Autoriteit, had Arafat persoonlijk niets bij een oorlog te verliezen en dus weinig aanleiding om die te staken. Dat zijn volk daardoor vreselijk heeft geleden, heeft tot nu toe alleen maar in zijn diplomatieke voordeel gewerkt.

Zo te zien is alles nu veranderd. Arafat is niet meer alleen `onbelangrijk' voor Sharon. Hij is `een bittere vijand'. En de Israëlische strijdkrachten zijn niet meer verwikkeld in iets wat neerkomt op een diplomatiek gebarenspel. Israël is volgens Sharons eigen verklaring in oorlog. Maar opnieuw is de vraag: hoe zal het die oorlog voeren?

Ook hier biedt Vietnam een leerzame parallel. In april 1972, na de terugtrekking van de meeste Amerikaanse militairen uit Zuid-Vietnam, begon Hanoi een groot militair offensief waarop de VS antwoordden met een zeeblokkade, mijnen voor de haven van Haiphong en het begin, na een luwte van vier jaar, van B-52-aanvallen op het noorden. Die stappen keerden het Noordelijke offensief en leidden tot hervatting van de vredesbesprekingen die Hanoi eens te meer gebruikte om tijd te rekken en zich te hergroeperen.

Ook nu Colin Powell zich weer opmaakt voor een `vredesmissie' naar het Midden-Oosten, is de les voor Israël en de VS duidelijk. Als ze door onderhandelingen een regeling met de Palestijnse Autoriteit willen, dan zal dat alleen lukken door ernstige toepassing van geweld. Elke hervatting van een `vredesproces' met Arafat voordat de Palestijnse strijders grondig zijn verslagen, leden van Hamas en de Islamitische Jihad in groten getale zijn opgesloten in Israëlische gevangenissen, de Palestijnse wapenvoorraden in beslag zijn genomen en de strijdkrachten van de Palestijnse Autoriteit zijn teruggebracht tot de omvang zoals vastgelegd in het akkoord van Oslo, zal hoogstens leiden tot een kortstondige vermindering van het geweld. Daarna, na de volgende onvermijdelijke zelfmoordaanslag, wordt het dan weer met grotere hevigheid hervat.

Maar er zijn ook lessen op langere termijn voor Israël en de VS. Het vredesakkoord van 1973 bracht natuurlijk geen vrede in Zuidoost-Azië. Het hielp de VS alleen maar Zuid-Vietnam te verlaten, dat daarna werd overgelaten aan de genade van een buurland waarvan de politieke leiding, de ideologische signatuur en de territoriale ambities onveranderd bleven. Elk akkoord dat Israël met Arafat zou kunnen sluiten ook als dat de vorming inhoudt van een Palestijnse staat, ruwweg binnen de territoriale grenzen zoals voorgesteld in Camp David zal aan dezelfde handicap lijden. Een bewind dat geen democratische verantwoording verschuldigd is, waaronder schoolkinderen worden onderwezen met antisemitische geschriften, waaronder geestelijken openlijk oproepen tot lukrake moord op joden en Amerikanen, waaronder plegers van zelfmoordaanslagen worden betiteld als martelaren en waaronder hele vleugels van Arafats eigen organisatie op de Amerikaanse lijst van terroristische organisaties zijn gezet, is geen bewind dat ooit in vrede met zijn buurland zal leven. Ook daarin verschilt de man in Ramallah niet van de `harde mannen van Hanoi'.

Israëls campagne tegen Arafat moet snel tot zijn natuurlijke einde worden gebracht, en dat einde kan niet anders zijn dan de vernietiging van de Palestijnse Autoriteit en haar terroristische zusters, de verbanning van Arafat, en de totale demilitarisering van de Palestijnse gebieden. Daarna kan er misschien worden gepraat over de vestiging met verantwoord beheerde buitenlandse hulp van een vreedzame en democratische Palestijnse staat. Maar misschien ook niet. Dat soort onzekerheden blijft echter te verkiezen boven de huidige stand van zaken.

In deze oorlog is Israël Vietnam Zuid-Vietnam en het staat tegenover een vijand, zowel in de Palestijnse als in de Arabische wereld, die letterlijk zijn leven over heeft voor de vernietiging van Israël. Daarom moet het nu zelf ook vechten alsof het voor zijn leven vecht, want het vécht voor zijn leven. En daarom moeten de VS deze bondgenoot niet in de steek laten zoals ze dat de laatste keer hebben gedaan.

Bret Stephens is hoofdredacteur van de Jerusalem Post.

© Dow Jones & Company, Inc.