Midden-Oosten 5

Joris Luyendijk beschrijft in zijn artikel `Een boze droom die werkelijkheid wordt' (NRC Handelsblad, 3 april) intimiderend en gewelddadig gedrag van jeugdige Israëlische soldaten. Hij beschrijft dat gedrag als onnodig. Daarover valt te twisten: wanneer Palestijnen zelfmoordaanvallen uitvoeren door om hun middel gebonden explosieven tot ontploffing te brengen is vragen om optrekken van een T-shirt een uiting van gezond verstand, vind ik. Wanneer een Palestijn dan zijn kont laat zien is het onnodig om die man op het hoofd te slaan met een zware zaklamp, dat ben ik met Luyendijk eens. Zo werkt journalistiek: de journalist kiest de feiten om te beschrijven en kleurt ze met zijn woordkeuze. De lezer heeft daar zo zijn eigen gedachten over.

Maar Luyendijk overschrijdt de grenzen van journalistiek door de tekst te beginnen met een persoonlijke droom ,,Het onder dwang op moeten eten van eigen drollen''. Een recente ervaring doet hem die droom herinneren, en levert gelijktijdig de verklaring: de droom is de onderbewuste verwerking van een eerdere ervaring van intimiderende bejegening van Palestijnen door Israëlische soldaten.

Ik wil in mijn krant geen warrige vermenging van nachtmerrie en objectief feit. Ik wil geen platte popularisering van Freud gebracht zien als een vanzelfsprekende en logische gedachtentrein. Geen enkel in het stuk vermeld feit geeft aanleiding om te veronderstellen dat Israëlische soldaten Palestijnen of journalisten drollen op laten eten of daarover ook maar te dromen. Het vermelden van de droom is onsmakelijke en suggestieve propaganda. Het is geen journalistiek.