Kok en de schaamte over Srebrenica

Morgen verschijnt het langverwachte rapport van het Nederlands instituut voor oorlogsdocumentatie over de val van de `veilige' enclave Srebrenica in 1995. Welke rapporten gingen hieraan vooraf, op welke vragen kan dit rapport antwoord geven en wie waren de hoofdrolspelers? In Haagse kringen wordt het schuldgevoel steeds sterker.

Bijna zeven jaar geleden is het nu, de val van de door Nederlandse militairen beschermde enclave Srebrenica in Oost-Bosnië. Maar morgen, als na vijfenhalf jaar onderzoek het Nederlands instituut voor oorlogsdocumentatie (NIOD) zijn rapport publiceert, zal het – althans even – lijken alsof die val en de daarop volgende grootscheepse slachting van moslimmannen door Servische veroveraars sleutelmomenten in de recente Nederlandse geschiedenis waren. In zeven jaar is het nationale schuldgevoel over `Srebrenica' alleen maar toegenomen.

En dat schuldgevoel is op de anders zo zakelijke Nederlandse politiek overgeslagen. Premier Kok is, volgens ingewijden, vorige week binnenskamers in tranen uitgebarsten toen hij vooraf de lang niet malse conclusies van het NIOD onder ogen kreeg, over het onvermogen van de Nederlandse politiek en de Nederlandse militairen om meer bescherming te bieden aan de belaagde moslim-bevolking. Minister Pronk (VROM) overweegt naar verluidt af te treden, uit schaamte over ,,het falen van de politiek'', zowel ten tijde van `Srebrenica' als in de politieke afhandeling van het drama. Een Kamermeerderheid lijkt geneigd om, na zeven jaar aarzeling en ontwijkende bewegingen, alsnog te besluiten tot het zwaarste middel om politieke verantwoordelijkheden vast te stellen: de parlementaire enquête.

Hoe anders was de sfeer van opgetogenheid waarin de Nederlandse politiek in 1994 de gloednieuwe Luchtmobiele brigade richting Srebrenica stuurde, ter aflossing van een Canadees bataljon dat daar al meer dan een jaar, onder auspiciën van de VN, toezicht hield op het stadje waar enkele tienduizenden moslims, verdreven uit de door Serviërs veroverde dorpen uit de omgeving, sinds 1993 toevlucht hadden gevonden.

Die uitzending appelleerde aan het destijds in de Kamer breed levende gevoel dat de VN-vredesmachten in ex-Joegoslavië meer moesten doen dan hulpkonvooien begeleiden en andere humanitaire taken en zich inzetten voor het heil van de benarde bevolking. Bovendien leek deze uitzending een kans om de krijgsmacht na de Koude Oorlog een nieuwe zin te geven.

Al spoedig bleek Srebrenica, letterlijk en figuurlijk, een mijnenveld. De Nederlandse troepen verkeerden in een penibele situatie, omringd als ze waren door veel zwaarder bewapende Servische eenheden, die om de haverklap toegang tot en bevoorrading van de enclave afsloten. De moslims bleken niet helemaal de onschuldige slachtoffers van de oorspronkelijke opzet: 's nachts plunderden en moordden hun bewapende eenheden de Servische dorpen in de omgeving.

Toen de Bosnisch-Servische troepen in juli 1995 de enclave met tanks innamen, raakten de Haagse politiek en de Nederlandse legerleiding in de greep van velerlei, hevig conflicterende belangenafwegingen. Moesten de Nederlanders zich tegen de Serviërs doodvechten, eerder dan de enclave opgeven – zoals nu, zeven jaar later, wel wordt gezegd?

De uitkomst van deze besluitvorming, in de Haagse `bunker' waar minister van Defensie Voorhoeve (VVD) de scepter zwaaide is bekend: 7.400 vermisten, volgens het Internationale Rode Kruis, oftewel 42 procent van alle vermisten in de oorlog in Bosnië-Herzegovina. Hoe de belangenafweging in Den Haag en bij de Nederlandse militairen precies is geweest – dat zijn de meest brisante vragen, waarop het NIOD-rapport morgen antwoord moet geven.

Anders dan bij andere zaken die in recent verleden onderwerp van parlementair onderzoek zijn geweest zou een parlementaire enquête over Srebrenica nu niet meer in de eerste plaats gericht zijn op het trekken van beleidsconclusies. Dat heeft, in 2000, de parlementaire commissie Bakker al gedaan – door het opstellen van een `toetsingskader' dat dergelijke lichtvaardige avonturen moet voorkomen. Blijft het gevoel van Haagse schaamte, gevoegd bij een sterk levend gevoel dat acht jaar Paars mede heeft geleid tot een `gesloten bestuurscultuur' waarin zelden of nooit meer een minister bereid is tot opstappen, hoe groot de ramp (Enschede, Volendam) ook is.

Dat juist minister Pronk – behalve premier Kok de enige bewindsman die in 1995 in het kabinet zat en er nog deel van uitmaakt – zich opmaakt op te stappen, terwijl hij voor het gebeurde weinig formele verantwoordelijkheid draagt, is niet zo verrassend. In 1995 al sprak hij als eerste bewindsman over `genocide' en sindsdien heeft hij op gezette tijden laten weten dat hij het met de lijn van het kabinet niet eens was. Pronk had, zo lekte uit, in 1995 wel voor `doodvechten' gepleit, Pronk wilde later wél de parlementaire enquête die Kok niet nodig vond.

Premier Kok zal, volgens ingewijden, met het trekken van persoonlijke conclusies wachten op het Kamerdebat van eind deze maand over Srebrenica, op de allerlaatste Kamervergadering vóór de verkiezingen. De premier drinkt de Paarse beker tot de laatste druppel.