Een zorgelijk stemmend duo

Dankzij het optreden van Pim Fortuyn, zijn succes in de opiniepeilingen (en in de raadsverkiezingen in Rotterdam) en de zware verliezen tot nu toe van grote `gevestigde' partijen in de peilingen is het vraagstuk of lijsttrekkers van grote partijen als `kandidaat-premier' voor de kiezers moeten treden weer even snel uit de discussie verdwenen als het er twee maanden geleden in opdook. Dat is maar goed ook, want niet alleen kiezen de Nederlanders op 15 mei een nieuwe Tweede Kamer en geen nieuwe minister-president, maar bovendien hadden de heren Melkert en Dijkstal zich, gezien hun scores in de peilingen, nogal belachelijk gemaakt als zij zich al als komende premier hadden laten presenteren. Dijkstal heeft zich trouwens steeds verzet tegen pogingen uit de VVD-top om hem alvast als winnaar van de kabinetsformatie te lanceren.

Hoe misleidend in plaats van duidelijk zo'n door het politieke reclamebureau aangeprezen pseudotitel van kandidaat-premier kan zijn bleek onder meer 25 jaar geleden al. Toen het was in de campagne van 1977 stond er boven het hoofd van PvdA-lijsttrekker Den Uyl op verkiezingsaffiches in grote letters: Kies de minister-president. Zo ooit, dan leek dat die keer zo gek nog niet. Want de PvdA was destijds weliswaar in grootte de tweede partij, maar Den Uyl was de zittende premier en hij zou bovendien op de verkiezingsdag van 43 naar 53 zetels springen. Maar wat er daarna ook gebeurde, en hoezeer een tweede premierschap ook binnen handbereik was gekomen in een zeer lange formatie, het ging toch aan zijn neus voorbij, mede doordat hij zich op beslissende momenten te veel gelegen liet liggen aan radicale en te veeleisende partijkaders. Jammer voor hem, jammer voor de kiezers die die affiches serieus hadden genomen: Den Uyl was in de formatie net te weinig premier gebleken en net te veel partijman. Het is moeilijk te bepalen hoeveel de mislukking van de vorming van een tweede kabinet-Den Uyl heeft betekend voor 's lands politieke geschiedenis. Maar dat die mislukking grote gevolgen heeft gehad, ook voor de gemoedsgesteldheid van PvdA zelf, staat vast. Kok trof die gevolgen aan in de boedel die hij vijftien jaar geleden van Den Uyl overnam. Hij wist ze, zelf in 1994 na een zware verkiezingsnederlaag premier geworden en meer een behoedzame bestuurder dan een fanatieke partijman, voor een flink deel weggewerkt te krijgen. Daarover hoor je vandaag niet zóveel meer.

Parlementaire journalisten konden onlangs meedoen aan een enquête van het Historisch Nieuwsblad aangaande de vraag wie de beste Nederlandse premier was in de vorige eeuw. Zo'n enquête is een hachelijke onderneming wegens de lengte van een eeuw en 's mensen sterfelijkheid. Het blad had gepoogd dit probleem te verhelpen door schetsjes van alle premiers bij te sluiten, maar die enquête had niettemin iets van een missverkiezing zonder foto's. Dat is anders met premiers van wie de meeste Nederlanders nog wel een foto of een tekening hebben. Het is bijvoorbeeld interessant om, ondanks alle verschillen qua tijd en tijdgeest, de PvdA-premiers Den Uyl de polariserende partijman en Kok de `grijzere', op consensus mikkende voorzitter van de ministerraad te vergelijken. Of je af te vragen hoe zo'n vergelijking in de wat verdere toekomst zal uitvallen. Wie het per saldo onmiskenbare eerherstel in aanmerking neemt dat oud-KVP-premier De Jong (1967-'71) ondervond in een vorig najaar verschenen biografie, en wie zich herinnert hoezeer De Jong destijds in zijn eigen partij gekritiseerd werd omdat hij te veel de onzichtbare teamleider was geweest en te weinig zichtbaar als partijman en politicus, krijgt opnieuw het vermoeden dat het oordeel over Kok straks, in de geschiedschrijving, wel eens beter zou kunnen uitpakken dan dat over Den Uyl.

Terug naar de lijsttrekkers en hun mogelijke geschiktheid voor het eventuele premierschap, want je kunt hen weliswaar niet als zodanig kiezen maar je wél afvragen of zij voor die functie voldoende in huis hebben. Men behoeft zich dienaangaande om voor de hand liggende redenen niet het hoofd te breken over de lijsttrekkers Balkenende (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), De Graaf (D66), Veling (ChristenUnie), Marijnissen (SP), Van der Vlies (SP), Teeven (Leefbaar Nederland). Evenmin over Fortuyn, die in het premierschap weliswaar het meest voor ons denkt te kunnen doen, maar over zijn hoogtepunt in de peilingen heen lijkt.

Blijven over Melkert en Dijkstal, een zorgelijk stemmend duo. Melkert heeft voor het premierschap enkele stevige handicaps. De eerste, waarover in het algemeen beleefd wordt gezwegen, is dat hij, om het per understatement te zeggen, niet zo gemakkelijk vrienden maakt of in teamverband opereert. Zijn tweede handicap is dat een Nederlandse premier nogal eens `Europa' in moet, en dan is het ongemakkelijk wanneer je daar voorshands vooral wordt gezien als de oud-minister van Sociale Zaken (1994-'98) die wat al te creatief omging met Europees subsidiegeld (ESF). Een derde handicap blijkt uit zijn behandeling van het JSF-dossier. Want hoe de PvdA-fractie zich deze week uiteindelijk ook zal opstellen jegens het mee-ontwikkelen en meeproduceren en eventueel pas over een paar jaar bestellen van de Joint Strike Fighter, vaststaat dat Melkert zich heeft vergist in de stemming in zijn fractie over deze kwestie én in haar `regisseerbaarheid' (door hem). Voor het op 8 februari bekendgemaakte positieve kabinetsbesluit over de JSF, en voor de positie van Kok en andere PvdA-ministers, is Melkerts mistaxatie natuurlijk van groot belang geweest. De kiezer mag zich afvragen of iemand die zich in zó'n zaak zó vergist geschikt is om een kabinet te leiden. De kiezer mag zich overigens óók afvragen of we, mocht het tot aankoop van die JSF's komen, straks genoeg politici hebben die er méér mee willen doen dan luchtfoto's maken.

En Dijkstal, de aardigste van alle lijsttrekkers? Hij valt niemand in de rede, zoals straatvechters als Rosenmöller en Marijnissen dat steeds doen. Dijkstal acht goede smaak en manieren belangrijker dan puntenboksen in die vreselijke sessies die lijsttrekkersdebatten inderdaad vaak zijn. Hij acht zichzelf en zijn zelfrespect hoger dan het scoren van puntjes. Dat is een deugd voor een aspirant-schoonzoon, niet voor een lijsttrekker. Laat staan voor een premier.