Grand Chelem

Hoe leg je dit uit aan Nederlanders, vroeg ik me moedeloos af alvorens aan dit stuk te beginnen. Hoe kun je de kernontploffing die afgelopen weekeinde het Parijse Stade de France deed vibreren in het Nederlands vertalen? Het lijkt een onmogelijke opgave. Misschien zou het nog eenvoudiger zijn een woestijnbewoner te overtuigen van de schoonheid van het schaatsen wanneer de sneeuwvlokken op het parcours van de Elfstedentocht neerdwarrelen. Zaterdag in Parijs nam Frankrijk de laatste hindernis op weg naar de `Grand Chelem' en versloeg Ierland met een ongekende wreedheid: 44-5. Sommigen van die blauwe reuzen op het groene gras lieten plots dikke kindertranen over hun wangen rollen. Ja, inderdaad, rugby.

Deze Grand Chelem betekende niet alleen dat Frankrijk het zeslandentoernooi 2002 winnend had afgesloten, maar vooral dat geen van de vijf wedstrijden verloren ging. Een dergelijke prestatie heeft in Frankrijk even veel waarde als een overwinning in de Tour of het behalen van de Davis Cup. Vijfhonderd kilometer verderop zullen de Nederlandse kranten, met een beetje geluk, een paar regels in hun sportuitslagenpagina aan het evenement wijden. Ach, je moet hier niet om treuren. Je verwacht toch ook niet dat de nieuwe EK-titel van de Nederlandse korfbalploeg in het Catalaanse Terrassa de voorpagina van de Franse sportkrant L'Equipe gaat halen?

Waarom het rugby in de drassige polders, een uitgerekend ideale ondergrond voor deze sport, nooit wortel heeft geschoten zal wel een kwestie van cultuur zijn. Nederlanders zijn zachtaardige wezens die niet gemaakt lijken te zijn voor het oergeweld van het rugby. Nederland is allereerst een feminiene natie, druipend van het pacifisme, die nee zegt tegen plaatsing van kruisraketten en liever het glas heft met de vijand, hem smekend niet op de pianist te schieten. Daarom ook zijn zoveel opwaaiende zomerrokjes op de vaderlandse sportvelden te bezichtigen. Daarom zijn hockey en korfbal hier zo populair. Veel vreedzamer in ieder geval dan al die brute gedaantes met platte neus en afgescheurde oren die scrums bevolken.

,,Voetbal is oorlog'', zei ooit Rinus Michels. Dergelijke nonsens kon alleen door een onwetende Nederlander worden uitgekraamd die zijn eerste ovale bal nog moet ontdekken. Het enige echte conflict in de sport wordt op het rugbyveld uitgevochten. Iedere meter terrein die op de tegenstander wordt gewonnen klinkt als een napoleontische verovering. Maar let op: het respect van dezelfde tegenstander staat altijd voorop. Omdat ondanks zijn primitieve aanzien, zijn gecontroleerde geweld en zijn afschrikkende verstrengeling van lichamen, rugby een daad van verbroedering moet betekenen.

Na de overwinning op Ierland haalde de Franse manager Jo Maso enkele jeugdherinneringen op. ,,Toen ik als vijftienjarige klaar stond om mijn eerste wedstrijd te gaan spelen, nam mijn vader me apart, keek me recht in de ogen en zei vol ernst: Vergeet nooit, kleintje, dat dit spel is uitgevonden om mannen te verenigen en niet om verdeeldheid te zaaien.'' Vertederend hoe die grove macho's hun sport meestal met behulp van religieuze retoriek kunnen bezingen. Het zal ook geen toeval zijn dat het Franse rugby hoofdzakelijk in de zuidwest regio verankerd is. Het land van de rebellie en de katharen. Het land dat in de Middeleeuwen zijn eigenzinnige geloof met de bloedige kruistochten van de noorderlingen moest bekopen. Dat verpletterd en vermorzeld werd zoals in Béziers waar bijna de gehele bevolking werd uitgemoord. Diep in de Languedoc tot aan de voeten van de Pyreneeën, van Narbonne tot aan Bayonne is men de katholieke tweedracht nooit vergeten en daarom heeft men zich in de eendracht van het rugby geworpen. Een sport van afvalligen met zingend accent die nog steeds van een eeuwige revanche dromen.

Afgelopen zaterdag was er in het Stade de France meer dan alleen de Grand Chelem en de overwinning op de Ieren. Het was vooral de zoveelste verovering van Parijs die zoet smaakte.