Die liede raden mi dat ict late

,,Mijn accountant heeft me gedwongen met dichten te stoppen'' zegt een man op een caféterras tegen zijn gezelschap, op een tekening van Stefan Verwey, afgelopen vrijdag in de Volkskrant. Het lijkt een variant op de openingsregels van de middeleeuwse Marialegende Beatrijs: ,,Van dichten comt mi cleine bate. Die liede raden mi dat ict late''.

Het is altijd zo geweest en het zal wel altijd zo blijven. Van dichten word je niet rijk, het is al prachtig als je er een beetje aardig van rond kan komen. De meeste dichters doen het `erbij' bij een baan, bij vertaalwerk of recensies, eventueel aangevuld met een beurs van het Fonds voor de Letteren.

In de tijd van het ontstaan van de Beatrijs werd geen onderscheid gemaakt tussen proza en poëzie, `romans' rijmden ook gewoon. Nu niet meer. Of het daardoor komt dat men van romans rijker kan worden dan van dichtbundels weet ik niet, maar het is een feit dat er prozaschrijvers zijn die wel veel verdienen aan hun boeken. De meesten niet. Dan geldt weer hetzelfde als voor al die dichters: ze doen er iets bij, ze kunnen zich een gedeelte van de tijd vrijmaken dankzij een beurs van het Fonds en een vetpot wordt het sowieso niet, tenzij ze ineens `doorbreken'. Zoals Bernlef destijds met Hersenschimmen. Hij was altijd al een goede schrijver, maar toen zag eindelijk iedereen dat in.

Schrijvers moeten soms veel doorzettingsvermogen hebben en lezers kunnen ze dankbaar zijn dat ze niet opgeven. Maar ineens schijn je nu boeken die geschreven zijn door een schrijver die een beurs van het Fonds voor de Letteren heeft gekregen niet goed meer te moeten vinden. Die boeken heten nu `subsidieproza'. Dat kan een `gewone lezer' niet weggelezen krijgen. En nog sterker: schrijvers schrijven alleen maar om zo'n subsidietje op te strijken. Zo'n subsidie geeft ze `status'. En recensenten willen juist alléén maar subsidieproza lezen, want dat geeft hun status. Omdat dat subsidieproza zo moeilijk is, en dan denkt iedereen: wat knap van die recensenten dat zij het wel begrijpen.

Deze flauwekul is verzonnen door een kersverse hoogleraar die op wil vallen. Nu, ze is opgevallen, de nieuwe hoogleraar boekwetenschap Lisa Kuitert. Maar niet in erg gunstige zin. Het zou allemaal de moeite van het tegenspreken niet waard zijn als deze slecht onderbouwde meninkjes niet van een letteren-hoogleraar kwamen, die bovendien getuigde van een tamelijk verontrustend soort onvermogen om literatuur te lezen. Ze hield vroeger van lezen, schreef ze in haar inaugurele rede. Maar omdat ze tijdens de studie wel eens een boek moest lezen dat zij niet, maar de docent wel geslaagd vond en omdat ze de poëzie die ze tegenkwam `onleesbaar' vond, wil ze nu de subsidieregelingen verdacht maken. In plaats van zich af te vragen of het ook aan haar zou kunnen liggen. ,,De literatuur is er volgens mij bij alle stimulerende maatregelen van overheidswege níét op vooruitgegaan'' verklaart ze. Ja daar zal ze wel aardig kijk op hebben. Is al tijdens de studie opgehouden met poëzie lezen en weet voor het overige blijkbaar ook geen boek uit te krijgen. Allemaal `onleesbaar', `stomvervelend' en `geen touw aan vast te knopen'. Het leven is geen lolletje.

Ze staat niet alleen overigens. Al eerder in dezelfde week had Beatrijs Ritsema in deze krant laten weten dat ze niet meer zoveel aardigheid in lezen en literatuur heeft, omdat ze al meteen weet, dankzij haar `sociologische blik', dat een boek een roman `met een maatschappelijk thema van deze tijd' zal blijken te zijn, dan wel `degelijke coming of age, historische fictie, impressies uit vreemde streken, vreselijke ervaringen, filosofische analyse' of nog zo het een en ander. En dan weet ze van tevoren `al min of meer wat me te wachten staat' en wat is dan nog `de meerwaarde van een boek boven andere vormen van tijdsbesteding'? Gedichten van langer dan een pagina wil Ritsema eigenlijk ook niet lezen, bekent ze in één moeite door, en boeken waarin verwezen wordt naar andere literatuur zijn `literaire puzzels' en noemt ze `bloedeloze bezigheidstherapie'. Ik denk dat zij wel van Kuitert in een subsidiecommissie zou mogen. Ze klinkt helemaal als de ideale `gewone lezer'.

Uit wetenschappelijke hoek kreeg Kuitert in Trouw bijval van een zekere Jaap Willems, die aan de VU wetenschapscommunicatie geeft. Die had meteen begrepen over welke boeken Kuitert het eigenlijk had: de romans van A.F.Th van der Heijden. Dat leken hem echt voorbeelden van door critici `omhooggeschreven boeken' en `navraag' onder Nijmeegse bètastudenten had hem geleerd dat veel van die studenten die boeken niet uitgekregen hadden. Dus! Weer zo'n typisch voorbeeld van recensenten die `moeilijk leesbare' dan wel `onleesbare' boeken aanprijzen om hun eigen imago te vergroten, concludeerde hij. Je krijgt veel vertrouwen in de wetenschap dezer dagen.

Misschien kunnen Kuitert en Willems met een paar Nijmeegse bètastudenten een Lulu Wang-leesclub beginnen. Makkelijk. Beslist niet omhooggeschreven door recensenten, en `de zelfreinigende werking van de markt' die Kuitert zo node mist, zorgde er wel voor dat de auteur van dat prachtproza geen subsidie hoeft aan te vragen.

Voor wie alleen leest om zich een uurtje te verstrooien, en daar is niets tegen, zullen deze platvissen wel gelijk hebben. Maar misschien zouden juist hoogleraren boekwetenschap er ook eens aan moeten denken dat literatuur niet alleen maar de concurrent van een James Bond-film is, maar ook een kunstvorm. En dat kunst nu eenmaal niet altijd zo makkelijk is.

,,Wat mooi is is moeilijk'' schreef Gerrit Krol (nooit een cent subsidie ontvangen maar toch geen makkelijke auteur). Shakespeare is niet makkelijk, James Joyce niet, Bach niet, Paul Celan niet. Voor sommige dingen moet je moeite doen. Maar, nu het goede nieuws, je wordt voor die moeite ook vaak beloond. Omdat je dan iets hebt gezien, gevoeld, gelezen, gehoord dat ingewikkelder is dan alles waar je al direct een touw aan vast kon knopen. Dat geeft wie er gevoelig voor is, een sensatie van rijkdom en diepte. En dan praten we nog niet eens over het plezier.

In Ik heet Karmozijn van de moeilijke Turkse auteur Orhan Pamuk zegt een in boeken teleurgestelde man het volgende: ,,Boeken voegen aan het ongeluk van de mensen niets toe dan een diepte die we houden voor troost.'' Dat is een heel wat interessantere manier om iets over kunst te zeggen. Maar minder wetenschappelijk natuurlijk.