Deconfiture

Mijn moeder en ik konden het niet erg goed met elkaar vinden. Ik groeide niet helemaal op tot het keurige Haagse meisje waar ze op gehoopt had. Er was vaak ruzie.

Ik wilde natuurlijk zo snel mogelijk naar het verderfelijke Amsterdam. Samenwonen, kraakpanden, nee, dat kwam onze relatie allemaal niet ten goede.

Toch kwam er een kentering. Ze was trots op me toen ik mijn doctoraal haalde en ook trots op mijn beroep: journalist. Ze knipte al mijn artikelen uit.

Haar laatste jaren sleet ze in een verpleeghuis. Ze was helemaal veranderd, dolblij als ze me zag. Maar ze werd verschrikkelijk vergeetachtig. Ze had weliswaar geen Alzheimer, maar vraag na vraag werd herhaald.

Soms dacht ze dat ik nog op school zat. En ja, wat deed ik ook alweer? Iets bij een krant, dat wist ze. Ze boog zich stralend naar me toe en vroeg: ,,Zeg kind, heb jij nog altijd die krantenwijk?''