Winterswijk - Aalten

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in de Achterhoek.

In Nederlands oostelijk blobje dat Achterhoek heet, hebben mens en natuur meer dan gemiddeld hun best gedaan. Sinds de Middeleeuwen zijn ze in de weer geweest met tot bolle kussens op te hogen akkers, te glooien weilanden, in te slijten zandpaden; met het in bochten buigen van beken, het plaatsen van transparante randjes boom en struik en heg, met plukjes bos vol eiken, dennen en klimop en, met oog op de lente, het uitstrooien van narcissen over bos- en weidegrond.

Een coulissenlandschap, zo is dit Achterhoekse landschap officieel benoemd volgens het wandelboek. Coulissen? Dat is iets in het donker en het ruikt er naar angstzweet en gebruikte lucht. Hier is alles ruim bemeten, licht is het beslissende woord. Geen coulissen, kamerschermen, zou ik zeggen. Elegante kamerschermen van stammen, takken en blaadjes, niet geplaatst om te verhullen, maar om te accentueren.

Een stevig tempo slaat nergens op, hier. Veel stilstaan en rondkijken. Inhouden bij elk uitzicht over akkers en weiden die hun eigen intimiteit krijgen van de korte, soms haaks afgebogen boomrijen. Minuten turen naar het rode achterhoofd van een specht die tegen een stam zit te ratelen of hij per decibel wordt betaald; of naar een meisje dat halverwege een enorm grasvlak een zwart paard traint en tegelijk speelt met haar gele hond; of naar een buizerd die overvliegt, achter de boomkruinen verdwijnt, terugkeert, duikt, hoogte wint, afbuigt, op een tak neerstrijkt, opstijgt en dan toch vertrekt met wijde wegwiekvleugels. Het schiet niet op, zo, dit is geen lopen meer, dit is slenteren, maar dat komt er vanzelf van en dan is er ook nog een dorpsbakker die zijn broden buiten laat afkoelen, waardoor er weer een moment gesnoven moet worden. Sla je iets over, dan doe je jezelf tekort en voor je het weet loop je hand in hand. Dat is pas echt vermoeiend, maar te vermijden valt het nauwelijks.

Na een scherpe bocht in deze route vol haken en hoeken, belanden we in een door de beek de Slinge doorkronkeld bos. Op de afgekalfde zandoevers kiepen de bomen bijna van hun wortels.

Ik hoor gekrak. Ik kijk opzij om te zien wat voor hond daar rent. Ik zie een ree. Ze is groot en lichtbruin en hopst kalm voorbij, met een vrolijk deinend wit zitvlak. Hoewel, zitvlak, reeën zitten natuurlijk niet. Hoe heet dat dan? Ik wil dit overleggen, maar zwijg want daar is de tweede ree. Zij is grijs en ze springt ook in beheerste bewegingen langs, maar rechter, strenger. We kunnen de dieren nog een tijd volgen tussen de struiken, dan zijn ze weg. Wij blijven nog een hele tijd fluisteren.

In de berm vlak voor Aalten ligt een chocolade ei, in groen zilverpapier. Groen in groen, en niet gevonden. Sneu. Ik eet het op, dat is het minste wat ik kan doen.

Kaart 2, 3, 4 en 22a (18 km)van: B.G. Geurkink e.a.: Scholtenpad. Uitg. Stichting Lange-afstands-Wandelpaden. Tussen Aalten en Winterswijk rijdt ieder half uur een trein.