Wayne Eagling allang aangeschoten wild

Op het vertrek van artistieke leider Wayne Eagling bij het Nationale Ballet werd reeds lang gewacht. Hij zorgde niet voor vernieuwing, eerder voor veroudering. Toch laat hij genoeg van waarde achter.

Na een lang en geduldig lijden vertrekt artistiek leider Wayne Eagling bij Het Nationale Ballet, ten laatste per juni 2003 en niet uit eigener beweging maar omdat het bestuur dat wenst. Het besluit valt aan de vooravond van een gezamenlijk tussentijds advies van Raad van Cultuur en de Amsterdamse Kunstraad. De kladversie, althans de Amsterdamse versie daarvan, heeft kennelijk meegewogen bij de bestuursvergadering afgelopen 14 maart. Wat concreet in het advies staat, blijft tot 12 april geheim.

Bert Janmaat, algemeen secretaris van de Amsterdamse Kunstraad, vindt het gekozen moment dan ook merkwaardig. Waarom niet een week langer gewacht? De grote vraag lijkt echter waarom niet al twee jaar terug Eagling de wacht werd aangezegd. Toen immers barstte de onvrede over zijn functioneren los. De punten van interne kritiek waren toen een slechte interne coördinatie, een ondoelmatige planning en gebrek aan contact met de dansers, vooral met die uit de lagere rangen. De Britse Eagling zou licht arrogant, onbenaderbaar overkomen. Ook de Raad voor Cultuur had toen reeds zware kritiek op zijn functioneren. Het nieuwe advies schijnt deze kritiek vooral te herhalen.

In de twaalf jaar dat Eagling het grootste en enige klassieke balletgezelschap in ons land leidt is eigenlijk verbijsterend weinig opzienbarends gebeurd. Het beleid zoals het er lag, is grotendeels gecontinueerd: het klassieke repertoire werd gedanst, tevens aangevuld met werk dat voorheen als te gedateerd buiten de deur werd gehouden, zoals het momenteel rondreizende Onegin. Eagling bleek geheel in de lijn van het traditionele Engelse ballet ingesteld op de romantische verhalende balletstijl, een stijl die zich slecht verhoudt tot het moderne neo-academisme van Hans van Manen of het moderne expressionisme van Rudi van Dantzig. Dat moderne fundament zoals gelegd in de jaren zeventig en tachtig werd maar mondjesmaat aangevuld. Toer van Schayk maakte met Eagling nieuw werk waaronder twee verhalende balletten. Notenkraker en muizenkoning werd een succes, De Toverfluit flopte.

Eaglings eigen werk werd als beneden de maat beoordeeld, op grond waarvan hem door de dansers verboden werd nog iets te creëren. Onbegrijpelijk is dat Eagling dat heeft gepikt. Het geeft aan dat die aardige man met zijn onhandige, wellicht mede uit verlegenheid voortkomende houding, een stevig bord voor zijn hoofd heeft. Ook prominenten uit de balletwereld hebben boter op hun hoofd want Eagling is lang in de waan gelaten. En het bestuur heeft hem nog twee jaar terug de illusie gegeven dat hij kon doorgaan. Hij had moeten worden gewaarschuwd.

Dat het bestuur het intussen toch nodig vond de leiding te verstevigen, bleek uit de aanstelling van Wim Broekx als coördinator. Die kreeg onvoldoende ruimte en vertrok. Daarna werd Ted Brandsen benoemd als adjunct. Een choreograaf uit de school van Van Manen die wellicht kan uitgroeien tot nieuwe leider. Potentie heeft hij zeker. Hij komt uit het eigen nest en kent het gezelschap goed. Brandsen is een uitgebalanceerde intelligente man. Hij komt nu wel in een moeilijke tussenpositie te zitten.

Zijn in het buitenland wellicht nog geschikte kandidaten? Die zijn moeilijk te vinden, en het is een riskante onderneming. Ook wat dat aangaat lijkt in twaalf jaar tijd maar weinig veranderd. Terug bij af is de groep evenwel niet. De uitvoeringskwaliteit over de hele linie is goed, choreograaf Krysztov Pastor lijkt recent zijn draai te hebben gevonden, de groep gaat soms op tournee in het buitenland. Eagling laat genoeg van waarde achter waar een nieuwe bevlogen leider iets goeds van kan maken.