Waarom ik eskimo wil worden

Met Errol Flynn als het grote voorbeeld wilde ik op mijn vijfde niets liever dan zeerover worden. De hele dag zeilen naar zonnige, met palmbomen overdekte eilanden vol donkere inboorlingen, met een mes tussen je tanden het schip van de tegenstander enteren, een mooier bestaan leek nauwelijks denkbaar. Maar niet zo heel veel later veranderde ik van gedachten over deze beroepskeuze, danig onder de indruk van de Duitse televisieserie Arpad, der Zigeuner. Ik was blijkbaar niet de enige: in Duitsland is in de jaren zeventig een hele generatie meisjesbaby's vernoemd naar Rilana, Arpads zwoele vriendin. Een zwervend bestaan op de poesta, wrede huzaren te slim af zijn, dat was eigenlijk nog veel mooier dan zeerover. Het liep vervolgens helemaal mis met mijn stoere ambities toen de nog veel zwoelere Angélique, Markiezin der Engelen op het scherm verscheen. En zo ging het door: in mijn meest ontvankelijke jaren ben ik waarschijnlijk onherstelbaar gevormd door een overdaad aan slechte B-films en televisieseries uit de gouden dagen van de Euro-kitsch.

Sindsdien heb ik weinig last meer gehad van dergelijke dweperijen, tot ik twee weken geleden Atanarjuat, the Fast Runner zag. Nu wil ik eskimo worden. Niet een echte inuït (de correcte benaming voor het volk dat nu in het noorden van Canada en Groenland leeft), maar een fictieve eskimo uit het sprookje dat regisseur Zacharias Kunuk ons in Atanarjuat voorschildert. Atanarjuat is geen slechte B-film, maar een schitterend Shakespeariaans epos naar een oude legende, geheel geschreven en gespeeld door inuït, dat de prijs kreeg voor het beste debuut op het filmfestival van Cannes al is dat niet echt een verklaring voor de emoties die hij oproept. Zeker, de overweldigende schoonheid van het poollandschap zal hebben geholpen, en het even kitscherige als onmogelijke verlangen van de westerling naar een simpeler bestaan, een trager levensritme, gedicteerd door het weer en de seizoenen in plaats van deadlines en de mobiele telefoon.

In de wereld van de film hebben mensen fijne, bedachtzame gesprekken als `Mooie zeehond heb je gevangen!', `Ja, dit is een beste'. Maar de aantrekkingskracht van Atanarjuat zit 'm in iets anders. Een van de hoofdrolspelers stelt na een dramatische gebeurtenis de vraag: `Hoe moet het met ons? Hoe moeten we samen leven?' Het bijzondere is dat de film daarop ook een antwoord heeft, een tamelijk eenvoudig antwoord bovendien.

Dat moet ook wel, want hoe weinig mensen er ook wonen in en rond Igloolik, waar de film speelt, ze slaan elkaar evengoed om het minste of geringste de hersens in. De door machtswellust, wrok en jaloezie ingegeven moordpartijen eindigen wanneer de held Atanarjuat in een grootmoedig gebaar geen wraak neemt op zijn belagers wanneer hij daartoe in de gelegenheid is, en in plaats daarvan verklaart: `Het moorden is gedaan.' Er volgt een bijeenkomst om het kwaad uit te bannen, en iedereen wordt vergeven, al worden de grootste lastpakken wel weggestuurd uit de gemeenschap.

Maar natuurlijk is dit een sprookje, een fantasie, zoals het leven van Arpad de zigeuner dat ook is, op een heel andere manier. Tijdens de aftiteling worden er fragmenten getoond van het filmen zelf, en zie je de hoofdrolspelers op sneeuwscooters, in leren jack en met een walkman op. De huidige eskimo's, of liever inuït, zijn het spoor vaak behoorlijk bijster wanneer het gaat om de vraag `Hoe moet het met ons? Hoe moeten we samen leven?' De heropvoeding door de Canadese regering en de verhuizing naar dorpen resulteerden vooralsnog vooral in alcoholisme, werkloosheid en zelfmoord. De inuït zijn ook, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Tibetanen of de Amazone-indianen, nooit geadopteerd door popsterren of bedrijven als de Body Shop als trendy goed doel, alhoewel de Deense schrijver Peter Hoeg een paar jaar geleden de eskimo-romantiek wel salonfähig maakte met Smilla's gevoel voor sneeuw. Het is niet voor niets dat al de films van Zacharias Kunuk een levenswijze laten zien die zo goed als verdwenen is: het doel van zijn werk is de oude cultuur vast te leggen voor jongere generaties.

Zo maakte hij eerder de dertiendelige serie Nunavut, Our Country, een gefictionaliseerde documentairereeks die speelt in 1945, op de grens van de traditionele en moderne levenswijze van de Inuit. Afgelopen dinsdag waren de eerste vier episodes te zien in Filmtheater Rialto in Amsterdam: beelden van de kariboejacht, opengesneden zeehondjes, het bouwen van een stenen huis en een iglo, maar ook een katholieke priester. Een groepje mannen praat over het nieuws dat ze van de priester hebben gehoord: overal op de wereld zijn mensen elkaar aan het vermoorden. De leider van de Duitsers is ermee begonnen, zo weten ze. Dat moet ophouden, daar is iedereen het over eens. Een van de oudere mannen stelt voor om, met behulp van sjamanistische krachten, zijn geest naar de leider van de Duitsers te laten vliegen om deze te pakken te nemen. Hij maakt er gebaren bij alsof hij iemand met een stok op zijn hoofd slaat.

Kortom: weer een sprookje, en wel op het randje van het aandoenlijk-sentimentele. Toch houdt regisseur Kunuk ons een spiegel voor. Want misschien is het wel heel belangrijk in dit soort sprookjes te geloven, te geloven dat er een antwoord is op de vraag `Hoe moet het met ons? Hoe moeten we samen leven?' Misschien kunnen er dan wat regeringsleiders, president Bush bijvoorbeeld, al dan niet geholpen door sjamanistische rituelen, eens naar de Westelijke Jordaanoever vliegen?