Professor

De spanning was haast ondraaglijk zoals dat ook het geval was vier jaar geleden, toen hij promoveerde. Hij herinnerde zich toen zelfs een paar maanden ziek thuis te zijn gebleven. De laatste tijd had hij weer last van dezelfde symptomen: maagklachten en altijd moe, prikkelbaar ook. Hoewel hij wist dat zijn sollicitatie gunstig was ontvangen kwam het lang verwachte telefoontje toch als een bevrijding. Zijn benoeming was rond, hij werd professor. Dol van blijdschap stormde hij de keuken binnen en gilde het uit naar zijn altijd zo meelevende echtgenote: `Hoera, weg met de boeken!'

Toen ik dit verhaal voor het eerst hoorde, werkte ik nog maar net bij een universiteit. Ondanks mijn nog maar kortstondige verblijf in het walhalla der wetenschap viel het me niet moeilijk ettelijke heren aan te wijzen op wie deze anecdote van toepassing zou kunnen zijn.

Voor ik er kwam werken had ik altijd gedacht dat het doen van onderzoek voor de betrokkenen een passie was. Iets wat ze met hart en ziel deden. Dit gold overigens ook wel voor enkelen, maar voor de meesten was het werken aan de universiteit een gewone, ambtelijke baan waarbij je je best deed om – hoe dan ook – het hoogste te bereiken. Niet uit interesse voor een bepaald vakgebied, maar uit overwegingen van status en salaris. Dat mij dat verbaasde, had ongetwijfeld te maken met mijn naïeviteit.

Is een hoogleraar niet benoemd vanwege zijn wetenschappelijke verdiensten, dan heeft hij, zo leerde mij de ervaring, die benoeming te danken aan het feit dat hij uitstekend past binnen de cultuur van de club. Een keurige man, er komt weinig uit maar er valt ook niets op aan te merken.

Zo mogelijk nog treuriger, vond ik het te ontdekken dat bestuurders in hun beleid zich al evenmin lieten leiden door het streven naar kwaliteit. Grote onderzoeksprogramma's moesten er komen, waarin plaats was voor iedereen. Ook voor degenen die uit luiheid of desinteresse nog nooit iets hadden gepresteerd. Hoe uitgebreider het programma, hoe meer geld en prestige het opbracht. Dat was de leidende gedachte van de bestuurlijke hervormingen die ik in de jaren tachtig van nabij heb zien voltrekken. Kwaliteit was een sluitpost. Wetenschappelijke nieuwsgierigheid werd laatdunkend getypeerd als hobbyisme.

Geheel in deze cultuur past de overvloed aan buitengewoon hoogleraren die de universiteiten de afgelopen jaren hebben benoemd. Het buitengewone aan deze hoogleraren betreft niet hun kwaliteit, maar schuilt in het gegeven dat de kosten van hun aanstelling in de regel worden gedragen door een andere instantie. Zij kosten de universiteiten weinig of niets. De organisaties die ervoor betalen, hebben dat graag over voor het extra prestige dat dit oplevert en de hogere rekeningen die ze kunnen schrijven.

In het licht van dit alles vind ik het wonderlijk dat de Erasmus Universiteit een verklaring heeft uitgegeven waarin wordt gesteld dat Pim Fortuyn ten onrechte de titel professor voert. Die universiteit heeft hem indertijd wel benoemd, en hem die titel waardig bevonden. Werd die benoeming toen wel gerechtvaardigd door de wetenschappelijke kwaliteit van wat hij tot dan toe had gepresteerd? Ik kan me dat werkelijk niet voorstellen. Of was die benoeming een slippertje van het soort waarvan er zoveel zijn? Het getuigt niet bepaald van zelfkennis om nu ineens publiekelijk afstand te nemen van die ene gederailleerde professor.

prick@nrc.nl