PIMPELMEES KIJKT NAAR LOKALE RUPSENPIEK BIJ LEGGEN VAN EERSTE EI

Pimpelmezen (Parus caeruleus) kiezen het juiste moment van eieren leggen op basis van hun ervaring met het voedselaanbod in het voorgaande jaar. Op die manier spelen de vogels in op de lokale omstandigheden en vergroten zo de kans op een groot en sterk nageslacht. Dat concludeert de Italiaanse bioloog Fabrizio Grieco samen met zijn Nederlandse collega's Arie van Noordwijk en Marcel Visser van het NIOO-centrum voor Terrestrische Oecologie in Heteren na een driejarig experiment met geringde pimpelmezen in het nationaal park de Hoge Veluwe (Science, 5 april).

Pimpelmezen zijn zeer trouw aan hun nestplaats. Gedurende hun hele leven keren de vogels terug naar dezelfde plek om eieren te leggen. De pimpelmeeskuikens worden gedurende twintig dagen op het nest gevoerd door hun ouders met rupsen en larven. Alleen zachte prooidieren zijn geschikt als voedsel voor de jongen. Voor pimpelmezen is het daarom cruciaal om het moment van uitkomen van de eieren te laten samenvallen met de natuurlijke piek in het aantal rupsen. Het precieze tijdstip van deze rupsenpiek varieert van jaar tot jaar en is afhankelijk van het aantal warme dagen in het vroege voorjaar.

Uit een zevenjarig onderzoek naar het voorkomen van rupsen in het onderzoeksgebied bleek dat nestplaatsen behoorlijk kunnen verschillen in het tijdstip waarop de rupsenpiek zich daar voordoet. Plekken die slechts enkele honderden meters uit elkaar lagen, vertoonden al grote variaties. Op de ene plek trad de rupsenpiek consistent vroeger op dan op de andere. Voor de mezen is het dus van belang om in het eerste jaar dat zij nestelen te bepalen of zij in een `vroeg' of in een `laat' gebied zitten, zodat zij in het tweede jaar het tijdstip van hun legsel beter kunnen synchroniseren met de lokale voedselomstandigheden.

De onderzoekers controleerden in het broedseizoen van eind maart tot begin mei dagelijks de nestkasten die waren opgehangen in een door eiken en grove dennen gedomineerd bos. In de helft van de nesten werd zodra het eerste ei was uitgekomen dagelijks bijgevoerd, totdat alle jongen waren uitgevlogen. De onderzoekers plaatsten een bakje met een afgewogen hoeveelheid meelwormen en mottenlarven in deze nestkasten, zodanig dat alleen de oudervogels er bij konden. Ter controle hielden zij ook een even grote groep niet-bijgevoerde nesten in de gaten.

Vrouwtjes die in het eerste jaar waren bijgevoerd, legden hun eieren in het volgende jaar later in vergelijking met soortgenoten uit de controlegroep. Als gevolg daarvan brachten zij hun kuikens pas groot nadat de natuurlijke rupsenpiek al lang en breed voorbij was. Kennelijk hadden zij het kunstmatig bijvoeren als een late rupsenpiek ervaren. Volgens de onderzoekers is dit het eerste duidelijke bewijs dat pimpelmezen hun eilegdatum baseren op het tijdstip van pieken in het voedselaanbod in het voorgaande jaar.

Grieco en zijn collega's constateerden en passant dat alle vogels (dus ook die uit de controlegroep) nu relatief te laat broedden om de natuurlijke rupsenpiek optimaal te benutten. Want als gevolg van de warme lentes van de laatste jaren is de rupsenpiek steeds verder vervroegd. De onderzoekers benadrukken dat hoewel de pimpelmezen blijkbaar kunnen leren van het voorgaande jaar, het nog niet vaststaat dat de vogels zich daardoor beter kunnen aanpassen aan de verschuivingen ten gevolge van de klimaatsverandering. De verandering van de gemiddelde voorjaarstemperatuur en de daaraan gekoppelde voedselpiek kan wel eens zo snel gaan dat de aanpassing van de vogels het niet bij kan benen.