Overpeinzingen: Leunen

Het is acht uur 's ochtends. U komt het station binnen, ziet meteen, met uw reizigersintuïtie, dat twee van de vijf loketten waarschijnlijk `gaan sluiten' als u de voorste bent buiten de grens van het aan-de-beurt-zijn. Voor alle loketten staan tien mensen. U kent de wet van de parallelle rijen: de andere gaat sneller. De tijd dringt. Dan kiest u rij B. Waarom? Omdat aan het hoofd van rij A iemand staat, of in een hoek van dertig graden voorover hangt, elleboog op het toonbankje gesteund, neus tegen het glas, in gesprek met de lokettist(e) gewikkeld. Het maakt een intieme indruk. Dat kan wel een kwartiertje duren. U schuift naar rij A, waar u de voldoening van uw gelijk smaakt.

1138

Nederland `is vol'. Vijftig jaar geleden woonden hier tien of elf miljoen mensen. Toen was het ook vol. Voor een bus, tram, trein, hotel, land is vol geen goede eigenschap. In zo'n geval willen de mensen graag iemand de schuld geven. De volheid van Nederland werd geweten aan de katholieken die de meeste kinderen kregen. Lees er Ik heb altijd gelijk op na, de roman van Willem Frederik Hermans. Er is toen een rechtszaak van gekomen; de schrijver werd `belediging van een volksdeel' ten laste gelegd, en vrijgesproken. Intussen waren de laatste schepen met Nederlandse emigranten naar andere werelddelen vertrokken.

In die tijd was er in Groningen een hoogleraar sociologie, P.J. Bouman, die het plan had zich te verdiepen in `de psychologie van de volte'. Ik heb hem al eens genoemd, en nu weer, omdat hij bij mijn weten de eerste is die op dat idee is gekomen. Anderen hebben zich verdiept in de demografie, de economie, wat je verder aan disciplines hebt, maar de toestand van de mens die zich volgens zijn eigen overtuiging in de volte bevindt is nog niet goed onderzocht (geloof ik). Wel weten we het een en ander van de varkens en de kippen, die elkaar gaan bijten, pikken. Maar wat doen we zelf? Dat wilde Bouman bestuderen.

Het is er niet van gekomen. Intussen bleef de bevolking voorspoedig doorgroeien. Tientallen jaren gingen voorbij zonder dat je daar veel bijzonders over hoorde. De welvaart nam toe, de files werden langer, meer mensen gingen elkaar bellen, eerst nog met de gewone, toen met de mobiele telefoons. Steeds meer techniek tot vergemakkelijking en opvrolijking van het dagelijks leven werd gretig omarmd. En meer en meer hoorde je het: er zijn nog x wachtenden voor u.

Om een minimum aan geluk te kunnen bereiken heeft ieder levend wezen onder andere een zekere hoeveelheid ruimte nodig. Deze ruimte noemen we de bestaansruimte. Een haas kan op een vliegveld gelukkig worden, een mol is tevreden met een bescheiden parkje, een luiaard lijkt me ook niet veeleisend. Bij de mens is het anders, en dit anders dan weer in een grote verscheidenheid. Diogenes, de wijze Griek, woonde in een ton. Toen Alexander de Grote hem aanbood zijn grootste wens te vervullen, zei hij: ,,Wilt u een stapje opzij doen, want u staat in mijn zon.'' Toch kunnen we daaruit niet besluiten dat alle wijze mensen met een kleine ruimte gelukkig zijn zolang ze in de zon zitten. De stelling dat rijke mensen aanspraak op meer ruimte maken ligt dichter bij de waarheid.

Zo komen we tot de voorlopige conclusie. In Nederland komen er steeds meer mensen bij. Het welstandsgemiddelde stijgt. Dit betekent dat meer mensen aanspraak maken op meer ruimte, iedereen eist voor zichzelf een grotere bestaansruimte. Daardoor ontstaat het nationaal gedrang, dat nu ook in de politiek een uitweg zoekt.

Over dat vraagstuk laat ik me hier niet uit. Ik kom terug op het begin van dit stukje. Terwijl het gebrek aan bestaansruimte dus nijpender zou worden, zien we iets anders gebeuren. De moderne en postmoderne Nederlanders hebben de neiging dichter bijelkaar te kruipen, steeds intiemer met elkaar om te gaan. Het op en over de balie leunen, op het station, het vliegveld, bij de bank, een gemeentekantoor, de belastingen, waar dan ook. Er wordt geleund tot de lokettist de poriën van de klant kan tellen; ruiken wat er in zijn/haar maag zit. Op de televisie opereert een quizmaster wiens handelsmerk het is een arm om de schouders van de kandidaat te slaan. Omroepers, presentatoren van de radio leunen uit de luidspreker om je intiem een goedenmmmmorgen of goedenmmmmmiddag te wensen, niet één maar twintig keer per deel van een etmaal, alsof ze je beste vrienden zijn. Die wildvreemde komt draadloos melden dat zijn tante ziek is. In de tram moet je je op de been houden tegen de wolken van penetrante deodorant. Op de emotie-tv storten ongelukkigen hun hart uit voor een half miljoen of meer kijkers, alsof ze bij evenzoveel psychiaters te biecht gaan. Hoe komt dat? Is het niet inefficiënt?

Denk niet dat ik mopper. Ik stel het vast. In Nederland leven we met een paradox. Terwijl we klagen over het groeiend tekort aan bestaansruimte, gaan we steeds intiemer met elkaar om. Ik kan het nog niet met elkaar rijmen: deze liefhebberij om elkaar voorover leunend in het gezicht te blazen en dit ruimtegebrek. Wat zegt de wetenschap ervan?

P.S. Lyndon B.Johnson zei van Gerald Ford: He can't walk and chew gum at the same time. Ik dank de lezers die me dit hebben geschreven. In de loop van de verkiezingstijd kom ik er nog op terug.