Kauw

Vroeger had ik een tamme kraai, de kauw. Hij is dezelfde als Hans, de torenkraai. Het was een trouwe vogel die graag op mijn schouder zat. Met zijn korte, krachtige snavel pikte hij zoutkristallen van mijn oren.

Ook loerde hij op mijn ogen. Met zijn parelgrijze, intelligente blik hield hij alles in de gaten. Het zachtst waren de fluwelen, lichtgrijze veertjes van zijn wangen. De vleugels zijn diepzwart, de borst is donkergrijs. Was de kauw verlegen, dan boog hij voorover en prikte in zijn poten. Deze montere, speelse vogel is het hele jaar door te zien. Op schoorstenen, in weilanden of met vlugge vleugelslag wiekend op de luchtstroom bij kerktorens en andere hoge gebouwen, zoals het Rijksmuseum in Amsterdam. 's Nachts slaapt hij met zijn soortgenoten in `slaapbossen': hele zwermen tezamen. Het zijn, net als veel kraaiachtigen, dief en diefjesmaat. Ze dalen op de rug van schapen om wol te plukken, waarmee ze het nest bekleden. Een koppeltje blijft voor het leven bij elkaar. Het vrouwtje betuigt haar aanhankelijkheid door de nekveren van het mannetje te `poetsen'.

freriks@nrc.nl