Historicus is geen politieke schokdemper

De geschiedenis leert dat een parlementaire enquête het enige effectieve middel is om te onderzoeken wat er precies in Srebrenica is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk waren, vindt Peter van der Heiden.

Op 10 april verschijnt dan eindelijk het rapport over de rol van Nederland bij de val van Srebrenica. Het is geen eindrapport na een parlementaire enquête, maar een `onafhankelijk' rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Omdat de Tweede Kamer verzaakte zélf haar werk te doen, verleende het kabinet in 1996, één jaar na de val van de Bosnische moslimenclave Srebrenica, een opdracht voor een historisch-wetenschappelijk onderzoek aan het NIOD.

Het is een beproefde methode om heikele onderwerpen uit het brandpunt van de politiek te halen. Geen kabinet zit te wachten op een parlementaire enquête naar het eigen beleid, en al helemaal niet wanneer er duizenden doden en nog veel meer vermisten en ontheemden opdoemen. Een commissie of liever nog een wetenschappelijk onderzoek, en dan is er weer even lucht. Met een beetje geluk vervalt de stormwaarschuwing, gaat de wind weer liggen en is er zelfs sprake van afstel. Zoals in 1969, toen het kabinet-De Jong een werkgroep van ambtenaren onderzoek liet doen naar het gedrag van Nederlandse militairen in Indonesië. De Tweede Kamer debatteerde één keer over deze Excessennota, waarna de kwestie afgedaan was. Politieke consequenties bleven uit. Zal de geschiedenis zich weer eens een keer herhalen?

De verschillen zijn groot tussen Srebrenica en de Excessennota. Andere tijden, andere verhoudingen, een ander conflict. Toch dringen ook overeenkomsten zich nadrukkelijk op, al in de aanleiding voor de onderzoeken. Het Srebrenica-onderzoek werd gestart omdat, na een afsluitend debat in december 1995, in de pers en op televisie geruchten bleven aanhouden over misdragingen en betrokkenheid bij kwalijke zaken van Nederlandse militairen. In het debriefingsrapport van het ministerie van Defensie, waarvoor vrijwel alle uitgezonden militairen werden gehoord, zouden verklaringen hierover bewust zijn achtergehouden.

Ook het onderzoek naar de misdragingen in Indonesië vond zijn oorsprong in de pers. Twintig jaar na de politionele acties vertelde een oud-militair op televisie over de oorlogsmisdaden die hij had gezien. Toenmalig PvdA-fractievoorzitter en oppositieleider Den Uyl kreeg kamerbrede steun voor een onderzoek. Maar volgens hem werd dat veel te beperkt uitgevoerd. Alleen de militaire kant van de zaak werd in de nota belicht. De vraag naar de politieke verantwoordelijkheid werd in de Excessennota vakkundig vermeden.

Met die politieke verantwoordelijkheid komen we op de belangrijkste overeenkomst tussen beide onderzoeken: het feit dat zij niet zijn uitgevoerd door de instantie die daarvoor het eerst aangewezen is, namelijk de Tweede Kamer. Staatsrechtelijk klopt het allemaal wel. De Kamer maakt gebruik van haar recht op inlichtingen, de regering voldoet aan haar plicht om die te verstrekken. Weliswaar via een omweg van jarenlang historisch onderzoek, maar toch.

Het gaat echter niet om de staatsrechtelijke component, maar om de politieke. Srebrenica wordt niet zozeer onderzocht om te kijken of individuele militairen fouten hebben gemaakt of zelfs (oorlogs)misdrijven hebben begaan, maar vooral om te zien of het beleid van de Nederlandse overheid wel deugde. Om te onderzoeken of Nederland wel genoeg heeft gedaan aan de verdediging van de `veilige haven' voor de moslims. Om te onderzoeken wie er nu echt verantwoordelijk was voor de val van de enclave, en of er een patroon zit in de reeks dubieuze gebeurtenissen als het mislukken van het ontwikkelen van fotorolletjes en het weglaten van getuigenverklaringen uit het debriefingsrapport. Die doen toch op zijn minst aan een doofpot dénken.

Deze cover up-gedachte wordt nog versterkt door het vorige week verschenen rapport `Srebrenica: De genocide die niet werd voorkomen'. IKV-voorzitter Mient Jan Faber concludeert hierin dat de grootste zorg van de Nederlandse regering niet het beschermen van de burgerbevolking betrof, maar het in veiligheid brengen van de eigen militairen. Hij stoelt deze gevolgtrekking onder andere op notulen van de ministerraad. Dit stelt de onderzoeksopdracht aan het NIOD in een nog merkwaardiger daglicht. Blijkbaar had het kabinet zélf, op basis van optimistische rapportages van verantwoordelijke militairen, de prioriteit gelegd bij evacuatie van de blauwhelmen, waarbij de moslims aan hun lot werden overgelaten. En dan stelt datzelfde kabinet een jaar later een `onafhankelijk' onderzoek in naar de verantwoordelijkheden. Als er érgens bekend was hoe die verantwoordelijkheid lag, was het wel in de boezem van het kabinet. Maar blijkbaar was het niet opportuun om die kennis met de volksvertegenwoordiging te delen.

De Tweede Kamer had het onderzoek over Srebrenica nooit mogen overlaten aan de regering. Wanneer het gaat om politieke toetsing van beleid, dient het parlement zelf aan de slag te gaan. Als de politieke verantwoordelijkheid in het geding is in een kwestie van een importantie als Srebrenica, is maar één middel op zijn plaats: een parlementaire enquête.

Een afgewogen historisch oordeel over de gebeurtenissen in Bosnië (voorzover al mogelijk zo kort na de feiten) is iets geheel anders dan een politiek oordeel. Het is toch niet te verkopen dat een relatieve trivialiteit als de bouwfraude, waar het hooguit over graaien uit de staatsruif gaat, onmiddellijk wordt beantwoord met een enquête, terwijl het parlement het bij Srebrenica, waar Nederlandse militairen op wat voor wijze dan ook betrokken waren bij etnische zuivering en massamoord, overlaat aan wetenschappers?

Er waren argumenten om niet tot een enquête over te gaan. De betrokkenheid van vreemde mogendheden en de VN bijvoorbeeld, die niet gedwongen kunnen worden mee te werken. De bereidheid daartoe van de VN en van Frankrijk werd laag ingeschat. Ten onrechte, bleek later. De Fransen hebben hun Srebrenica-rapport al een tijdje geleden afgerond, en ook de VN hebben een eigen onderzoek naar de val gedaan. En bij de Bijlmerenquête bleek dat buitenlandse onderdanen wel meewerkten, hoewel ze daar formeel niet toe verplicht waren.

Een tweede argument was de rol van het parlement zelf. De Kamer was medeverantwoordelijk voor de gang van zaken, en zou dus bij een enquête ook zichzelf moeten controleren. Dat argument is evenmin valide. Bij eerdere enquêtes droeg de Kamer ook een zekere mate van medeverantwoordelijkheid, en dat heeft nimmer geleid tot het stopzetten van de enquête ten faveure van een onafhankelijk onderzoek. Kortom: er is veeleer sprake van politieke onwil dan van onmacht. Blijkbaar zaten de regeringsfracties niet te wachten op een enquête naar hun eigen ministers.

Nu, zes jaar nadat de opdracht werd verstrekt en na enige keren uitstel, verschijnt dan eindelijk het rapport. Van de bewindslieden die directe verantwoordelijkheid droegen ten tijde van de val van Srebrenica, zit er welgeteld nog één: minister-president Kok. De ministers Voorhoeve (Defensie) en Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) zijn al een kabinetsperiode lang vertrokken, en aangezien het rapport verschijnt vlak voor de Kamerverkiezingen van 15 mei zal Kok bij de behandeling ook wel zijn verdwenen. Moet de Kamer straks over Srebrenica gaan debatteren met, pak 'm beet, premier Fortuyn, verklaard tegenstander van deelname aan vredesmissies en ten tijde van Srebrenica nog niet eens politiek actief? Het ziet ernaar uit dat de Kamer zich aardig heeft laten ringeloren met het NIOD-onderzoek. Als er al politieke consequenties getrokken kunnen worden, dan zijn de verantwoordelijken allang weg.

De lange duur van het onderzoek staat in schril contrast met de snelheid waarmee in 1969 de Excessennota werd gepresenteerd. In januari van dat jaar vroeg Den Uyl om inlichtingen, in juli werd er al over de nota gedebatteerd. Nu was dat ook wel een stuk eenvoudiger: er was geen sprake van buitenlandse bronnen, en de feiten lagen al her en der op de verschillende ministeries verzameld. Per slot van rekening was er al twintig jaar voorbijgegaan, een tijdspanne die historisch onderzoek gemakkelijker (en verantwoorder) maakt. Toch, ondanks al die vlotheid, zagen premier De Jong, zelf oud-marineofficier, en minister van Defensie Den Toom nog kans het scherpste kantje van de conceptnota af te slijpen. Zij lieten de term `oorlogsmisdrijf' uit de nota verwijderen en vervingen deze door `exces', een term die politiek heel wat lichter verteerbaar was dan het sinds de oorlog zwaar beladen oorlogsmisdrijf, en formeel-juridisch nog juist ook aangezien Nederland niet officieel in oorlog was. Niet voor niets noemde de regering de schermutselingen in Nederlands-Indië `politionele acties': het leger herstelde orde en rust in een opstandig gebiedsdeel. Deze ingreep van De Jong en Den Toom werd pas in 1987 bekend, bij de verschijning van het Indonesië-deel van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog en is een argument temeer voor het parlement om een dergelijk onderzoek in eigen hand te houden. Wie garandeert dat vergelijkbare ingrepen niet hebben plaatsgevonden bij het schrijven van de eindversie van het Srebrenica-rapport en dat onwelgevallige conclusies of aanbevelingen niet zijn aangepast of verwijderd? De onderzoekers zijn weliswaar niet hiërarchisch ondergeschikt aan het kabinet zoals de `excessencommissie' dat was, het NIOD valt wel rechtstreeks onder het ministerie van OC&W. Volledig onafhankelijk van het kabinet is het NIOD dus niet.

Na de verschijning van de Excessennota wilde oppositieleider Den Uyl een parlementaire enquête om een aantal elementen uit de nota verder te onderzoeken. Alleen de linkse oppositie stemde voor; een meerderheid in de Tweede Kamer was tevreden met de resultaten van het ambtelijk onderzoek. En dat terwijl die enquête juist ten doel had om de politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid van een aantal excessen vast te stellen.

De vraag naar deze verantwoordelijkheden is ook de kern van het Srebrenica-vraagstuk. Hopelijk is het ook de kern van het Srebrenica-rapport. De behandeling van dit rapport mag niet net zo'n nachtkaars worden als de behandeling van de Excessennota. Hoe dan ook moet de politieke verantwoordelijkheid duidelijk worden. Liever laat, zelfs liever zes jaar te laat, dan nooit. De poging om door historisch onderzoek de politieke schok te dempen mag niet meer opleveren dan uitstel. Ook, of misschien zelfs juist als het NIOD-rapport geen politieke schok oplevert, is een parlementaire enquête nodig, om hoe dan ook de onderste steen boven te krijgen.

Daarom een oproep. Parlementariërs, doe uw werk. Verschuil u niet achter historici, start alsnog een enquête naar de val van Srebrenica. Laat voor het oog van de wereld zien dat politiek en bestuurlijk Nederland met dit pijnlijke hoofdstuk uit de geschiedenis wil en kan afrekenen. Het leuren met Nederlandse militairen voor vrijwel elke VN-missie na Srebrenica (Gorazde, Eritrea) zal het blazoen niet zuiveren. Volledige politieke en bestuurlijke verantwoording afleggen biedt die kans daarentegen wel.

Peter van der Heiden is parlementair historicus en freelance journalist.