Haren en snaren

Zij denkt alleen maar aan van dattum. Hij denkt óók alleen maar aan van dattum. Maar Lilith denkt alleen boven de gordel, terwijl de belangstelling van Lucifer uitsluitend de onderhelft betreft. Zij probeert wanhopig om in algemene termen uit te leggen hoe het Heelal kan zijn ontstaan met deeltjes, ruimtetijd en al. Hij probeert al even wanhopig haar het bed in te krijgen met ranzige praatjes uit een studentencafé. Hun vruchteloze dialoog vormt de eerste helft van Snaren, een nieuw stuk van Gerardjan Rijnders en de Toneelgroep Amsterdam.

`Wat was er voor de Oerknal?' Het is een van de meest gestelde vragen die je als astronoom bij publiekslezingen voor je kiezen krijgt. Het is een vraag van het type `Wat is er ten zuiden van de Zuidpool?' Immers, het Heelal bevat een eindige hoeveelheid tijd, dus geen enkel woord dat impliciet de tijd bevat (zijn, ontstaan, evolueren, worden) is van toepassing buiten dat tijdsbereik. Zelfs de stam `werken' in `werkwoord' is te veel besmet met tijd. Alleen wiskunde is hier nauwkeurig genoeg. Of wellicht poëzie: Neither in time, nor yet before the same / but in the instant when Time first became. (Ik dank Anthony Turner voor dit citaat van Guillaume de Saluste, sieur du Bartas, 1578).

Als een dichtregel kan weergeven wat de moeilijkheid is bij het beschrijven van het `ontstaan' van de tijd, dan zou een heel toneelstuk dat misschien nog beter kunnen doen. De begindialoog is schitterend, een symmetrisch spel met het onbereikbare: het bevatten van de eerste fractie van een seconde voor haar, het bezitten van haar lichaam voor hem. De verwarring die in elke natuurlijke taal is ingebouwd wordt over de volle breedte uitgebuit. De onmogelijkheid van `werk' in een werkwoord, omdat er geen tijd was. De onmogelijkheid van `was', omdat er geen verleden tijd was. Of, voor de kinderen: Wat was was eer was was was?

Rijnders' taalspel is hier op zijn best: `Dus alles wat ik over jou kan weten zit in je oppervlakte.' Lucifer zoekt contact met de huid van Lilith. Omdat hij alleen maar denkt aan zijn versie van van-dattum, ontslaat deze zin hem van de zorg voor haar innerlijk. Lilith denkt aan háár versie, het van-dattum van zwarte gaten. Wegens de tijddilatatie (de `uitrekking' van de tijd) in de buurt van de horizon van een zwart gat, ligt de hele voorgeschiedenis van dat zwarte gat als het ware bevroren aan het `oppervlak', en bevat daarmee alle informatie over de door de horizon omsloten ruimte. Ooit werd gedacht dat die informatie niet toegankelijk is, wat werd samengevat met de slagzin `een zwart gat heeft geen haar.' Ik grijns bij de gedachte aan wat Rijnders met die uitdrukking gedaan zou hebben, als hij het geweten had.

Het tweede deel beviel me minder: opgelegd pandoer over de zinloosheid van het bestaan. Voor de een is `van-dattum' de AEX-index, voor de ander is het een paar hooggehakte schoenen in de juiste kleur. Het stuk wordt een kapstok voor effecten. Lilith: `Waar gaat dit over?' Maar het was uit haar niet-amoureuze reacties al duidelijk dat zij in de `gewone' wereld haar weg niet kan vinden – nogal een stereotiep beeld van de wetenschapper.

Zo eindigt het stuk met de spelers kniediep gestrand in een zee van afgedankte knuffelbeesten en plastic frisdrankflessen. In het midden twee mannen die elkaar omhelzen: een oudere, en een jongere die eerder een poging deed met een speelgoedleeuw te copuleren. Juist die twee waren niet zo druk met van dattum, zodat zij elkaar bij toeval konden vinden.

Mijn mening over het stuk is niet zo interessant, want ik ben natuurkundige. Je vraagt ook niet aan een chemicus om een tentoonstelling te recenseren omdat er toevallig titaanwit in de schilderijen is verwerkt. Maar over die snarenhypothese en zijn kampioenen heb ik wel iets te zeggen. Ik beken een zekere afgunst. In de Nederlandse sterrenkunde worden theoretici, ondanks hun successen, systematisch achtergesteld bij mensen die instrumenten en telescopen bouwen. Snaartheoretici echter hebben niet het minste succes buiten hun wiskundig formalisme, in die zin dat hun werk geen enkel meetbaar resultaat oplevert dat niet al volgt uit berekeningen op grond van bestaande theorieën. Snaartheorie is wiskunde plus hype. Die snuiters hebben hun publiciteit uitstekend in orde. Het programmaboekje van Snaren stelt: `De speurtocht van fysici om de geheimen van de grootste en kleinste afstanden in het Heelal te ontsluieren nadert zijn ontknoping.' Jawel! Dat is al twintig jaar zo. 't Lijkt wel schone kernfusie – ook altijd net even buiten bereik, zoals het broodbeleg in Alice in Wonderland: Jam yesterday, jam tomorrow, but never jam today.

Tot dusver is iedere `theorie van alles' hoogstens wiskunde. Natuurkundig is het puur beeldspraak, in de mond van de pausen op dit gebied zelfs grootspraak. Luister naar wat Hawking beweert. Gevraagd of hij zo knap is als Einstein, zegt de opschepper: `Dat moeten anderen maar beoordelen', in plaats van de waarheid te zeggen (nee).

Zal het ooit wat worden met die snaren? Ik hoop van wel, want de beschrijving van de microstructuur van de ruimte is een van de boeiendste en minst opgeloste problemen in de natuurkunde. Kunstenaars hebben zich altijd meer laten inspireren door geloof dan door feiten. Die geschiedenis herhaalt zich hier. Geeft niets: kunst en wetenschap komen er wel, al begrijpen zij weinig van elkaars drijfveren. En wat die tijd betreft, het juiste antwoord vinden wij in een gedicht van Kees Stip, alias Trijntje Fop: Toen men hem, moeielijk genoeg / `wat was was, eer was was was' vroeg / werd hij de winnaar van de quiz / met `eer was was was, was was is.'

Toneelgroep Amsterdam: Snaren. Tekst en regie: Gerard Rijnders. Komende weken op tournee. Inlichtingen 020 5237800 of www.toneelgroepamsterdam.nl