ETIQUETTE

Vroeger was het gezellig in de Grote Zaal van het nieuwe Amsterdamse Concertgebouw. Het concertpubliek zat, net als voorheen in de Parkzaal, rond tafeltjes. De heren rookten een sigaar, obers bedienden de muziekliefhebbers met drankjes. Daarom heeft de Grote Zaal, net als andere 19de-eeuwse zalen, een vlakke vloer. En daarom zijn de gangen rond de Grote Zaal zo smal: de bezoekers bleven tijdens de pauze in de zaal. Verder kon men vrij in- en uitlopen.

De chique burgerij kletste tijdens het concert wat met elkaar, zij het niet al te hard. Velen kwamen vooral naar het Concertgebouw om in een aangename omgeving familie, vrienden, kennissen en zakenrelaties te zien. Natuurlijk was er mooie muziek, van het toen net opgerichte Concertgebouworkest. Maar dat was toch ook een soort 19de-eeuwse live muzak, zoals die nu te horen is in cafés, restaurants, winkels en liften.

Rond 1888, het jaar waarin het Concertgebouw werd geopend, begon ook het tijdperk waarin muziek bij de uitvoerders en fanatieke liefhebbers steeds meer de status kreeg van échte kunst. Concertbezoek werd van tijdverdrijf een serieuze aangelegenheid. Tenslotte waren het Concertgebouw en het Concertgebouworkest tot stand gekomen omdat Brahms had geklaagd over de nogal amateuristische kwaliteit van het Amsterdamse muziekleven.

Willem Kes, de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, eiste stilte voor hij met de muziek begon. Vanaf 1890 mocht men niet meer in- en uitlopen. In 1893 verdwenen de tafeltjes en werden rijen stoelen in de zaal gezet. Tegelijk met meer publieke discipline en concentratie op de muziek namen de kwaliteit en de internationale faam van het Concertgebouworkest toe.

Voortreffelijk musiceren op het podium vereist volkomen stilte in de zaal, vinden we al meer dan een eeuw lang. Maar in de praktijk is die stilte nog steeds ver te zoeken. Veel concertbezoekers kuchen, hoesten en niezen zonder enige terughoudendheid. Ze doen dat niet onhoorbaar als het orkest even heel hard speelt, maar lijken daarvoor te kiezen voor de ogenblikken van stilte. Het zijn precies die momenten waarop de zojuist gespeelde muziek na-echoot in de zaal en in de geest van het publiek de indringendste werking heeft.

Mobieltjes zijn de nieuwe bedreigingen van de klassieke muziek. Tijdens een pianorecital werd eens iemand in het publiek opgebeld en die begon een luidruchtig gesprek. Tegenwoordig wordt men vóór elk concert met borden en via de geluidsinstallatie gemaand telefoontjes uit te zetten.

Het geringste vergrijp tegen de concertetiquette is het klappen tussen de delen van een stuk. Dat doen mensen die voor het eerst naar een concert gaan. De geroutineerde concertbezoeker reageert geërgerd. Maar iedereen wil toch ook `nieuw publiek' in de concertzaal. En het geeft wél blijk van enthousiasme voor de muziek.

Concertzalen kunnen soms ook wel netter zijn tegen het publiek. De Haagse zaal van het Residentie Orkest heeft akelige kille kleurtjes en om die te verdoezelen, dooft tijdens de muziek het zaallicht. Uitgedeelde teksten zijn dan niet eens meer leesbaar. Hoeveel sympathieker is dan de zaal van het Enschedese Muziekcentrum. De vormgeving is dezelfde als in Den Haag, maar met al dat warme crème voelt men zich daar behaaglijk thuis.

Gerectificeerd

Etiquette

De informatie in het artikel Etiquette (6 april, pagina 46) is deels afkomstig uit twee boeken van Cas Smithuijsen.