'De mens moet zijn eigen voedsel kweken'

Diep in de Dordogne schreef Ton Lemaire, de `Johan Cruijff van de Nederlandse filosofie', zijn tiende boek: `Met open zinnen'. Zintuiglijkheid is het sleutelwoord in dit boek. `Ik zou willen dat we weer leren openstaan voor het sublieme in de natuur.'

`Aan alles merk ik dat deze samenleving op de verkeerde weg is'', zegt de filosoof Ton Lemaire. ,,Niet alleen in mijn filosofie, maar ook in mijn eigen bestaan. Ik voel dat bijna lichamelijk. Dat heeft natuurlijk te maken met mijn persoon, mijn organisme. Ik heb scherpe zintuigen en een gevoelig zenuwgestel. Ik stel hoge eisen aan de stilte, omdat natuur en landschap voor mij zo belangrijk zijn.''

Hij zit aan de eettafel in zijn boerderij, diep verscholen in de Franse Dordogne. Het oudste deel ervan dateert van omstreeks 1820: een bescheiden huis waar tot voor twintig jaar het water nog uit de put moest worden opgehaald. De zitkamer ziet uit op een lieflijk dal waarin zich ver weg ternauwernood het huis van de buren laat onderscheiden. Ruim tien jaar woont Lemaire hier nu, sinds hij als docent cultuurfilosofie aan de Universiteit van Nijmegen wegens burn-out werd afgekeurd, de laatste vijf jaar alleen. Dat valt, geeft hij toe, niet altijd mee. Hij is geen kluizenaar en de winters zijn soms lang.

Die ochtend heeft hij zijn domein laten zien. Veertien hectare glooiend gras- en bosland, waarop de omgewaaide bomen na de grote storm van twee jaar geleden nog kriskras liggen te wachten op verzaging tot brandhout. De bosrand kleurt in de teerste nuances van lentegroen en winterbruin, met een bijna paarse gloed. Geen omgeving om je te beklagen over geluidsoverlast. Maar als op afroep logenstraft de brandweersirene van het vijf kilometer verder liggende Saint-Astier die gedachte. En dan houden de straaljagers van de Franse luchtmacht zich deze ochtend nog koest. Lemaire denkt erover te verhuizen naar het Pyreneeëngebied, waar het geluid van de beschaving nog minder ver is doorgedrongen.

Vorig najaar is hij zestig geworden, al zijn die jaren hem niet aan te zien. Zijn nerveus-leptosome gestalte is taniger geworden en zijn gezicht minder smal, maar de gelijkenis is nog groot genoeg om te begrijpen waarom hij ooit `de Johan Cruijff van de Nederlandse filosofie' is genoemd. Deze week verscheen zijn nieuwe boek, Met open zinnen. Het is zijn tiende, en veel van zijn vroegere werk komt erin samen. Een jubileum, glimlacht hij.

Hele generaties studenten in de sociale wetenschappen kennen hem van zijn cultuurfilosofische handboek Over de waarde van kulturen uit 1976. Het grote publiek bereikte hij met boeken als Filosofie van het landschap (1970) en De Indiaan in ons bewustzijn (1986). En vooral met De tederheid, het essay over liefde en verliefdheid waarmee hij in 1968 debuteerde. Het was een ideaal geschenk voor verliefden met intellectuele pretentie en werd met ruim dertigduizend verkochte exemplaren een filosofische bestseller.

In Lemaires jongste boek is `zintuiglijkheid' het sleutelwoord. Daaraan is het de moderne mens volgens hem steeds meer gaan ontbreken. We hebben de wereld leren zien als ons product – iets wat we kunnen maken en manipuleren – en zijn vergeten dat ze iets zelfstandigs is. Juist de zintuigen, meent Lemaire, maken ons steeds weer duidelijk dat de werkelijkheid niet kan worden gereduceerd tot onszelf en tot iets dat volledig in onze greep is.

In de ontmoeting met de natuur is dat nog veel duidelijker dan in de omgang met de dingen uit de mensenwereld die we tenslotte inderdaad veelal zelf hebben gemaakt. Natuur, landschap, aarde luidt de ondertitel van zijn boek dan ook. Dit klinkt als een programma. De zintuigen leren ons dat we tot een wereld behoren die we niet zelf hebben voortgebracht. Dus moeten we, meent de sterk ecologisch denkende Lemaire, ons daar tegenover ook met een zeker respect gedragen. Doen we dat niet, dan menen we misschien een `maakbare' wereld te winnen, maar verliezen we in werkelijkheid een wereld die voor ons betekenis en zin heeft.

In het landschap van zijn jeugd in Midden-Limburg ervoer Lemaire dat aan den lijve. ,,Ik zag met lede ogen hoe overal in mijn streek stukken natuur werden ontgonnen'', zegt hij. ,,Prachtige stukken heideveld waar een snelweg kwam, landwegen die werden geasfalteerd. Ik zag hoe bepaalde soorten vogels verdwenen. Dat heeft mij heel diep getroffen.''

Die Limburgse plattelandsomgeving was voor hem niet vanzelfsprekend. Als zevenjarig Rotterdams jongetje was hij ernaartoe gekomen, nadat zijn vader stationschef geworden was in een boerendorp. Zijn fascinatie voor de streek, zo mijmert hij in de Dordogne, was die van de allochtoon die autochtoon wil worden en die daarom des te scherper de waarde én de beperkingen van zijn nieuwe omgeving ziet. Het moderne, stedelijke bestaan heeft volgens hem de aanvulling van het platteland nodig. Want de stad beschouwt zichzelf, met haar vooruitgangsideologie en mobiliteit, te zeer als de norm van alle dingen.

,,De moderne wereld is in principe tot zelfcorrectie in staat'', zegt hij. ,,De overbrugging van de tegenstelling tussen stad en platteland behoort daartoe. Mensen als ik, die zich op het grensvlak van stad en platteland hebben bevonden en allebei kennen, kunnen de stedelijke arrogantie een spiegel voorhouden en de betrekkelijkheid daarvan zichtbaar maken. Ze kunnen voor verzoening tussen stad en platteland zorgen.''

Dat wil zeggen dat de verstedelijking een noodzakelijke stadium in de ontwikkeling is.

,,Inderdaad. In onze historische ervaring staat de stad natuurlijk centraal. Maar juist vanuit de stad ontwaakt het bewustzijn dat ze zelf een correctie nodig heeft. De Verlichting is een proces dat we niet ongedaan kunnen maken. Maar we kunnen wel de Verlichting zélf proberen te verlichten. Dat wil zeggen: haar bewust te maken van haar eigen beperkingen. Dat is wat de Romantiek voortdurend heeft proberen te doen.

,,Pas de stedeling ontdekt het platteland als platteland en komt er gaandeweg achter dat een overbrugging van de tegenstellingen tussen die twee absoluut noodzakelijk is, wil onze maatschappij overleven. Dat kan heel kleinschalige vormen aannemen, al was het maar in de vorm van tuinsteden. In mijn boek wijs ik erop hoe belangrijk het is dat mensen hun eigen voedsel kweken. De band met wat je eet wordt veel groter als je weet waar dat vandaan komt, hoe het gegroeid is. Stedenbouwkundigen zouden daarmee rekening moeten houden. Wanneer mensen de beschikking hebben over een eigen tuin, hoeven ze ook niet steeds de auto te nemen als ze nog wat natuur willen zien.''

,,Mijn ideaal zou een libertair soort socialisme zijn, dicht tegen het anarchisme aan. Het zou moeten bestaan uit groepen van maximaal twintig mensen die allemaal zoveel mogelijk onafhankelijk zijn. Een samenwerkingsverband, een netwerk, met zoveel mogelijk behoud van autonomie. Die samenleving zou kleinschalig en gedecentraliseerd zijn, maar wel zo dat individuen daarbinnen zich deel voelen uitmaken van een gemeenschap. Een soort derde weg, die zowel de uitwassen van het moderne individualisme als van het staatssocialisme van de Sovjet-Unie vermijdt.''

Het individu een typisch stedelijk verschijnsel. Zijn de verworvenheden daarvan, die u ook niet kwijt wilt, nog wel mogelijk in zo'n `nieuw-dorpse' gemeenschap?

,,Ik heb aan den lijve ondervonden hoe verstikkend een dorp kan zijn. Daar wil ik dus zeker niet naar terug. Wat ik hier, in deze streek, om mij heen zie, zijn neo-ruralen zoals ik. Ze komen vaak uit de stad en zijn dus behoorlijk individualistisch, maar ze hebben er bewust voor gekozen te wonen op het platteland en daar een kleine gemeenschap op te bouwen. Ik zou dan ook willen spreken over een gematigd individualisme. Het individualisme zoals dat door liberalen wordt verdedigd vind ik uiteindelijk destructief. Want verlies ook de negatieve kanten van de individualisering niet uit het oog: het op zichzelf teruggeworpen worden, de eenzaamheid, enzovoort. Net zoals ik pleit voor een gematigd humanisme dat de waarde van de natuur erkent, zou ik ook het individualisme willen inperken.''

De intrinsieke waarde van de natuur is heel belangrijk voor u. Betekent dat ook dat we dieren, of zelfs de natuur als zodanig, rechten moeten toekennen?

,,Jazeker. De vraag is alleen of die op hetzelfde vlak moeten liggen als de mensenrechten. Ik ben daar nog niet helemaal uit. Ik zou heel voorzichtig zijn met het ontlenen van ethische normen aan de natuur.''

Is de ethiek waaraan we ons ten opzichte van de natuur moeten houden een andere dan die ten opzichte van de mens?

,,Absoluut. Ik denk dat je daar niet aan ontkomt. Ik ben het in dat opzicht niet eens met wat sommige radicale ecologisten beweren. Ik ben me veel te goed bewust van de gevaren. Aan de andere kant ben ik ook tegen een verabsolutering van het humanisme. Je kunt heel ver gaan in het liefhebben van dieren en in het begrenzen van onze expansie, zonder dat je de waardigheid van de mens tekort hoeft te doen.Ik zou willen proberen de kloof tussen mens en dier te overbruggen, zonder te loochenen dat er tussen hen wel degelijk een discontinuïteit bestaat.''

Een van de dingen waarover u zich in uw boek het meeste zorgen maakt is de globalisering. U ziet daarin een bedreiging voor de natuur, maar ook voor de menselijke gemeenschappen, die daardoor ontworteld dreigen te raken.

,,Het heeft op zichzelf weinig zin je te verzetten tegen een historisch proces als de globalisering. Ik wijs alleen de vorm af waarin die nu plaatsvindt, de neo-liberale variant ervan. Ik ben solidair met de antiglobaliseringsbeweging in Frankrijk, zoals die van de boer José Bové (ook een neo-ruraal met een filosofische opleiding). Maar het gaat er niet om de globalisering helemaal af te wijzen. We moeten ons alleen niet laten meeslepen door een bepaalde variant.''

Wat zou een goede vorm van mondialisering zijn?

,,Eentje die het plaatselijke niet uitwist of verdacht maakt, maar die een federalisering van locaties met zich mee zou brengen. Die dus de mens toestaat op verschillende niveaus, in een getrapte identiteit te leven. Lokaal, nationaal en kosmopolitisch. Zo ervaar ik mijzelf: ik heb wortels in Limburg, ik voel me Nederlander, Fransman, Europeaan. Ik ben erg voor de wederzijdse bevruchting van het globale en het lokale, zoals de kunst kent of muziek als jazz. Maar ik ben erg tegen de volledige dominantie van het globale of het kosmopolitische of een anonieme wereldmarkt: de overheersing van één bepaalde life-style en het nivelleren van culturele verscheidenheid.''

Aandacht voor het lokale is een oude zorg van Lemaire. Als kind verdiepte hij zich al in de geschiedenis, archeologie en natuur van de streek waarin hij opgroeide, en waarover hij ooit een boek wilde schrijven. Dat werd uiteindelijk Filosofie van het landschap. Hij beschrijft erin hoe de natuurlijke omgeving waarin iemand woont hem maakt tot wat hij is – niet omgekeerd. Maar ook hoe je al een beetje van de natuur vervreemd moet zijn om het landschap werkelijk te kunnen waarnemen. Daarom zie je hoe op de landschapsschilderijen van de achttiende en negentiende eeuw de natuur op een nieuwe manier verschijnt: als iets dat wegens haar eigen wildheid ontzag afdwingt. Het `sublieme', dat de ontembare grootsheid van de natuur zichtbaar maakt, werd vanaf dat moment een geliefd onderwerp in de kunst.

,,In het sublieme'', zegt Lemaire, ,,krijg je het sacrale terug in een nieuw jasje, aangepast aan de moderne tijd. Het is niet toevallig dat dat pas gebeurt wanneer de Europese mens zich in de achttiende eeuw al niet meer volstrekt door de natuur bedreigd voelt. Ook die ervaring is historisch bepaald. Ze veronderstelt al een zekere veiligheid. Maar juist vanuit die `luxe' herinnert ze de moderne mens ook weer aan de grenzen van zijn kunnen. Wat ik in onze huidige situatie zou willen is dat we opnieuw zouden leren openstaan voor het sublieme in de natuur.''

Lemaire moest twee jaar geleden zelf ervaren hoe verschrikkelijk de natuur tekeer kan gaan. Een nacht lang moest hij in zijn boerderij in zijn eentje de orkaan trotseren die Frankrijk ontwrichtte. ,,Dat was inderdaad een indrukwekkende ervaring'', zegt hij. ,,Misschien was ik op een bepaald moment eerder bang dan dat ik ervan kon genieten. De achttiende-eeuwse definitie van het sublieme is delightful terror. En het was niet erg delightful, nee, het was meer terror. Je moet je veilig voelen om te kunnen genieten van het sublieme. Maar op zichzelf was het een onthutsende ervaring: de natuur als bedreigende macht.''

Juist die ervaring is volgens hem in de twintigste-eeuwse landschapskunst verloren gegaan. In het begin van de 20ste eeuw is de schilderkunst steeds abstracter geworden, en daarmee heeft ze de band met wat er in het landschap zichtbaar is doorgesneden. Zo heeft ze op haar beurt bijgedragen aan de zintuiglijke vervreemding van de mens, terwijl ze van oudsher nu juist werd geacht het zintuiglijke te cultiveren.

,,Het natuurwetenschappelijk wereldbeeld heeft de werkelijkheid verengd tot mathematische grootheden,'' legt hij uit. ,,En terwijl de beeldende kunst lange tijd de functie heeft gehad die verenging van de zintuiglijkheid te compenseren, slaagt ze daar nu niet meer in, omdat ze zelf abstract geworden is. De doeken van Kandinsky en van de latere Mondriaan hebben een fatale stap gemaakt naar de ont-materialisering van de kunst. Ze staan in scherp contrast met de impressionisten, die diep onder de indruk waren van de onherleidbare werkelijkheid van wat zij afbeeldden. De Mont Sainte-Victoire, die Cézanne vele malen heeft afgebeeld, is op zijn doeken een verheven gestalte in het mediterrane landschap. De berg staat voor de natuur bij uitstek en is uitdrukking van de duurzame orde waardoor de wereld gedragen wordt.''

Toch probeert ook Mondriaan in zijn latere werk niets anders te doen dan zo'n wereldorde zichtbaar te maken.

,,Jawel, maar de kosmische orde die Mondriaan probeert uit te drukken is op zijn schilderijen volkomen onaards geworden. Je ziet geen landschap meer, maar alleen nog de zuivere geometrische verhoudingen. Ik maak bezwaar tegen kunst die louter ornament is en geen enkele verwijzing meer naar een buitenwereld bezit. De zintuiglijkheid erin is afgestorven ter wille van een `hogere' waarheid die niet meer naar de natuurlijke werkelijkheid verwijst – en naar de natuur in haar ongerepte gestalte al helemaal niet.''

Over de toekomst van die natuur maakt Lemaire zich grote zorgen. Hij geeft toe dat er op milieugebied hier en daar vooruitgang is geboekt, maar kijkend naar de wereldwijde situatie moet hij zich dwingen tot optimisme. Hij kiest zijn woorden met zorg. Voor doemdenker wil hij niet doorgaan en tussen apocalyps en utopie ligt nog een breed veld. In de politiek heeft hij alle vertrouwen verloren. ,,Het zal uiteindelijk op individuen aankomen'', zegt hij, terwijl het langzaam donker wordt over de Franse heuvels. ,,Maar ik zie ook dat het meestal door de kracht van de massa vastloopt of verzandt.''

Ziet u zich als een roepende in de woestijn?

,,Ik voel me genoodzaakt de valse euforie van onze samenleving te bekritiseren. Ik vind dat een kritisch filosoof naar eer en geweten moet zeggen hoe hij tegen het wereldgebeuren aankijkt. Of dat uiteindelijk zal helpen? Misschien niet. Maar ook als je geen hoop meer hebt op een rechtvaardige of milieuvriendelijke maatschappij, moet je er voor blijven ijveren. Zelfs als morgen de wereld vergaat, zei Luther, moet ik vandaag mijn boompje planten.''

Ton Lemaire: Met open zinnen. Uitg. Ambo, 359 blz. € 22,90

Ton Lemaire wordt vanavond geïnterviewd door Ger Groot tijdens de Nacht van de Filosofie, Felix Meritis, Amsterdam. Kaarten zijn uitverkocht.