De Koppenberg

Eerst dacht ik nog: ze zijn gek. Een week lang stonden de kranten vol van de heraangelegde kasseien op de Koppenberg. L'Equipe, de Limburger, het Dagblad van het Noorden, alle hadden in het Vlaamse gehucht Melden een aangenaam massagraf ontdekt. Alsof het sacrosankte epicentrum van eeuwig geluk ergens in die domme puist in de Vlaamse Ardennen terug te vinden zou zijn. De Koppenberg, bezongen met de klank van de Croisette in Cannes. Een tot kassei verworden epos. Of naar de woorden van Tim Krabbé: een heksenkookpot in reliëf waar iedere gedachte onmiddellijk achterwaarts het hoofd uitrolt.

Niet Pasen, niet de frigobox-toeristen in Knokke, niet de eerste blousjesdag van de meisjes op de terrassen van de Europese hoofdsteden zijn de eigentijdse metafoor voor nieuw leven. Het ware leven ontstaat op de dag dat de Ronde van Vlaanderen wordt gereden. De wielerklassieker is zowat de laatste canon die het Europese volk nog in nostalgie, in verbeelding en in gebed verbindt.

De Ronde, in taal gevat, is toegang tot ons diepste zelf. Op die dag kunnen mannen en vrouwen met nagelranden concurreren met de zegezangen van Pindaros, van Petrarca en Blondin. De Muur, het Patershol, de Kwaremont zijn de schitterende brokstukken van poëtische beeldhouwwerken. De Ronde is een cultuurschepper, een colosseum in het achterland. Geleerden hebben voorgerekend dat een monument nooit op zichzelf staat. De omgeving verandert drie keer per eeuw, die keer per mensenleven. Zo niet de Ronde van Vlaanderen. Die staat volkomen roerloos in zijn eigen geschiedenis. Niets kan de loop, het lot, de verwachting van de Ronde raken. Oorlogen niet, de MKZ-crisis niet, extatisch economisme niet, herschreven trouwbijbels al helemaal niet. Er groeit zelfs geen nieuw gras in het universum van de Oude Kwaremont.

Een kunsthistoricus leerde me dat je monumenten met rust moet laten, zoals Italianen doen. Je moet ze laten spreken met hun binnentaal. Dan weten we meteen wat voor weer het is. Vooral niet in de spagaat vliegen als een paar ouwe dakpannen zijn weggewaaid. Gewoon laten liggen en verder gaan met het drinken van Kasteelbier, Leffe of Rodenbach. De Ronde is de rib waaruit de schizofrenie van schoonheid en verval is gesneden.

Het allermooiste zijn natuurlijk de renners. Jongens zonder zwem- en verkeersdiploma die nooit het geluk van een halfnaakte Kongolese tekenlerares hebben gekend. En die toch niet het gevoel hebben dat ze iets missen. Museeuw, Van Petegem, Bartoli en Bettini hebben hun eigen criteria van vooruitgang en beschaving, hun eigen norm van gepolijste schoonheid.

De Ronde is drama. Voor de kroniek van het aangekondigde drama zorgde deze week Andrei Tsjmil. Dat de ouwe reus in zijn laatste koersmaanden de Ronde werd ontstolen door een domme val in de Driedaagse van De Panne is te dramatisch om beschreven te worden door wielerverslaggevers. Dit is werk voor de Nabukovs van deze tijd. Tsjmil zelf is literatuur. In een interview zei hij: ,,Alles wat mooi is aan het wielrennen komt in de Ronde van Vlaanderen samen: wind, smalle wegen, kasseien, ruzies, c'est un cocktail magnifique.''

Terug in de tijd. Wel tien keer heb ik Tsjmil zien sterven op de Muur van Geraardsbergen. In zijn gezicht kwamen alle oorlogsjaren uit de vorige eeuw voorbij. Dat dit beeld ons nu onthouden blijft, slaat me neer met de kracht van een amputatie. Andrei Tsjmil: een gebroken naam die druipt van spectaculaire zelfredzaamheid en glorie en o zo mooi nog steeds gevangen in het eeuwenoude worstenhelmpje.

Tsjmil zal de sensatie van de Koppenberg niet meer leren kennen, volgens de burgemeester nochtans 'een buitengewone schepping die ons leven ruggegraat geeft.' Dat is nog eens taal naar mijn hart. Taal die past bij de Ronde van Vlaanderen. Zo wil ook de Belgische premier, Guy Verhofstadt het horen. Laatst was hij op staatsbezoek in China. Nee hoor, Verhofstadt verwees zijn Chinese ambtsgenoot niet naar de avant-garde van Delvaux of Broodthaers en ook niet naar de grootscheepse baggerwerken aan de Schelde. Hij verwees Zhu Rongji naar de mythe, de hitte en de heroïek van de Ronde.

Zhu Ronji knipperde met de ogen, maar die fiets van Eddy Merckx wou hij heel graag hebben.