DE HELE DAG AGENTJE SPELEN

Het leek een leuke loopbaanommezwaai: leraar worden als zij-instromer. Maar voor Aaltje Vincent werd het een nachtmerrie.

Verbijsterd. Dat is het woord dat steeds opduikt als Aaltje Vincent (42) vertelt over haar ervaringen als zij-instromer in het voortgezet onderwijs. Verbijsterd over de desinteresse van de leerlingen. Verbijsterd over de noodzaak om de hele dag politieagentje te spelen.

Zeven weken werkte Vincent als economieleraar in de derde klas van het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). Toen stortte ze in. Haar ervaringen schreef ze op: `Met name het uitdagen, voortdurende uitdagen, ieder lesuur opnieuw, 24 lesuren in de week, van meestal 23 leerlingen, de daarop volgende discussies, alsmaar en alsmaar op alles wat ik doe, tergen mij tot op het bot. En het in feite machteloos staan daartegenover.'

Volgens de wet op de zij-instroom (uit 2000) mogen hbo-ers en academici die geen pabo of lerarenopleiding hebben gevolgd, maar wel `dicht bij het vak staan', met behoud van salaris als docent aan de slag en tegelijk in sneltreinvaart hun onderwijsbevoegdheid halen. In het voortgezet onderwijs zijn nu 166 zij-instromers aan de slag gegaan, in een van de officiële deeltijdopleidingen. Daarnaast staat een onbekend aantal onbevoegde leraren voor de klas voor wie de school ontheffing heeft gekregen van de Onderwijsinspectie.

Aaltje Vincent drinkt voorzichtig van haar koffie in een Rotterdams café. Als ze praat stottert ze af en toe licht. ``Dat is een oude kwaal waar ik in twintig jaar geen last meer van heb gehad, maar die voor de klas weer begon op te spelen.'' Vincent werkte bijna twintig jaar in het bedrijfsleven. Na haar opleiding heao-communicatie was ze betrokken bij de opstart van twee verschillende adviesbedrijven. Maar de uitdaging was eraf, vertelt ze. Vincent koos voor een totale ommezwaai: leraar worden, hoewel ze geen lesbevoegdheid heeft en nooit voor de klas had gestaan. ``Ik zag de wervingsspotjes op televisie en ik dacht zo wat te kunnen betekenen voor de maatschappij. Ik wilde de leerlingen helpen, bijstaan, een kans bieden op een goede toekomst. Idealistisch, ja. Dat vertelde ik de leerlingen in de klas ook: je kunt in het leven alles verliezen, je baan, je huis, maar iets wat je aan je zelf toevoegt, een diploma, nemen ze je nooit meer af. Maar ze hebben geen idee.''

Al op de eerste schooldag botst het idealisme van Aaltje Vincent hard met de werkelijkheid. Ze stelt zichzelf voor als `mevrouw Vincent', terwijl voornamen op de school gebruikelijk zijn. Dat levert een storm van protest op. ``Achteraf was dat fout, maar ik vond er een geforceerde gelijkwaardigheid uit spreken die ik niet voelde.''

Vincent gaat 24 uur lesgeven op scholengemeenschap Het Baken in Almere. Ze denkt dat ze maar één vak zal geven, maar het blijken er vier te zijn: economie, bedrijfsadministratie, bedrijfsrekenen en kantoorpraktijk. Bovendien moet ze mentor worden en draait ze mee met surveillancediensten in de pauzes. Omdat Vincent de drukte op zich af ziet komen besluit ze nog niet te starten met de deeltijdopleiding. Bovendien heeft Het Baken speciaal voor startende docenten een coach aangesteld, die haar individueel zal begeleiden. Daarover is Vincent tevreden, net als over de steun van haar collega-docenten. ``Maar als je voor de klas staat, staan zij er niet bij.''

Vincent moet zoeken naar een manier om de teugels in de hand te houden. Onvoorbereid en daar niet op bedacht. Ze schrijft: `Iedere les opnieuw zijn er leerlingen die met hun jas aan in hun stoel gaan zitten. Het lijkt wel of ze het er om doen, om mij te horen zeggen `doe die jas uit'. En altijd is er wel een die de discussie daarover aangaat. Ik laat het er bij, nadat ik enkele malen heb meegemaakt dat de betreffende leerlingen dan tergend langzaam de jas aan de kapstok ophangen.'

Vincent probeert alle tips uit die ze krijgt, maar is daardoor aan het zwalken, schrijft ze. `Welk gedrag is storend en in welke mate? Wie waarschuw je? Hoe waarschuw je en hoe vaak? Wanneer is iemand zo storend dat degene eruit moet?' Als Vincent voor het bord staat zegt een meisje 'juf, u stinkt uit uw mond.' Vincent besteedt er geen aandacht aan, maar daar neemt de klas geen genoegen mee. `Hé juf, hoort u haar niet? Zij zegt dat u uit uw mond stinkt.' ``Wat moet ik met zo'n opmerking?'', vraagt Vincent zich nu nog af. ``Ik heb maar gezegd dat ik het zou navragen, maar ik werd er wel onzeker van. Ik ging me afvragen of ik echt uit mijn mond stonk.''

En dan was er nog het gebrek aan motivatie dat haar frustreerde: ``Ik heb zelf thuis ruzie getrapt om naar de havo te mogen gaan. Maar de interesse van 80% van de vmbo-leerlingen reikt niet verder dan de volgende zaterdag. Ze zaten continu met flyers van disco-avonden in hun handen.''

Als Vincent een blanke leerling tijdens de les naar de w.c. laat gaan, waarna prompt de halve klas blijkt `te moeten', stelt ze haar regels bij. Als de volgende dag een zwart meisje vraagt of zij naar de w.c. mag, weigert Vincent. Prompt wordt zij beschuldigd van discriminatie. Na een kringgesprek hierover lijkt de hemel op te klaren, maar een dag later onweert het weer. `Helemaal mis, maar dan ook helemaal', schrijft Vincent. `Er wordt weer gezongen, gedanst, gelopen, omgedraaid gezeten, ik schrijf namen op het bord bij waarschuwingen, meteen weer discussie daarover, waarom haar naam niet? Een leerling gaat midden in de klas hurken en zegt, als ik zeg `ga zitten', dat ik er wel bij moet zeggen dat ze op haar stoel moet gaan zitten. Ik voel me hopeloos verloren, getergd tot op het bot, uitgeput. Het gaat onophoudelijk door, de waarschuwingen, discussies en er ontstaat een propjesregen. Ik sta voor de deur. Ze mogen er niet eerder uit dan dat alles opgeruimd is.'

In de kamer van de sectie economie volgt een uitbarsting. ``Wat is dit een afschuwelijk vak'', roept Vincent. Ze smijt haar tas door de kamer en begint met alles wat haar voor handen komt te gooien. Het is haar laatste dag. Na de herfstvakantie blijft ze ziek thuis.

Nu, een half jaar later, kan Vincent weer enigszins helder terugzien op haar onderwijservaring. ``Met levenservaring alleen kom je er niet, het leraarschap is een ambacht dat je moet leren voordat je voor de klas komt te staan, is mijn visie nu.'' Juist daarom kan ze niet begrijpen hoe de Minister van Onderwijs ooit op het idee is gekomen mensen zonder de juiste papieren voor de klas toe te laten. ``Aankomende zij-instromers moeten een week volledig meedraaien op school. Dan pas heb je een beeld van wat het vak inhoudt.''

Directeur Roel de Mink van Het Baken schaamt zich er voor dat het niet goed is gelopen, vertelt hij aan de telefoon. ``Aan de ene kant is er sprake van onervarenheid en gebrek aan vaardigheden bij Aaltje Vincent, maar aan de andere kant zijn wij tekort geschoten in de opvang. Het was voor het eerst dat wij met zij-instromers gingen werken en het vraagt meer begeleiding dan wij gedacht hadden. We zijn gestart met zes zij-instromers. Naast Aaltje Vincent heeft er één afgehaakt. De anderen lopen vertraging op in hun studie, dat is niet erg als ze er maar sterker uitkomen. Het is geen rozengeur en manenschijn.''

Op de vraag of haar overstap naar het onderwijs had kunnen slagen als ze beter was voorbereid schudt Vincent het hoofd. ``Nee. Ik was er alleen niet aan begonnen als ik van te voren had geweten hoe het er in het onderwijs aan toe gaat.'' Vincent is nu bezig met haar terugkeer naar de arbeidsmarkt. Normaal zou ze uit haar ziekteverlof weer moeten `reïntegreren' bij de oude werkgever, op school dus, maar ze heeft toestemming gekregen bij een consultancy-bedrijf terug te keren in het arbeidsproces. ``Want als ik naar school fiets begin ik nog steeds te huilen.''